Categoriearchief: Geen categorie

Framing

Waar taal sturend is, zullen mensen volgen

Stel dat dat je Minister van Volksgezondheid bent en wordt geconfronteerd met een uitbraak van een ziekte die naar verwachting zo’n 600 mensenlevens zal kosten. Er zijn twee mogelijke bestrijdingswijzen: Bestrijdingswijze A zal leiden tot eenzekerverlies van 400 mensenlevens. Van bestrijdingswijze B is het resultaat onzekerder; er is circa 33% kans dat er geen mensenlevens verloren gaan en 67% kans dat 600 mensenlevens verloren gaan.
 
Welke bestrijding zou jij kiezen als je deze beslissing moest nemen?

Van de deelnemers die in een veel geciteerd onderzoek van Tversky en Kahneman dit beslisprobleem kregen voorgelegd, koos 78% voor alternatief B. Ze namen dus een risico met een kans dat ze iedereen zouden redden. Een andere groep deelnemers kreeg hetzelfde probleem voorgelegd, maar op een andere manier gepresenteerd:

Er zijn twee mogelijke bestrijdingswijzen: Bestrijdingswijze A zalzekerleiden tot het redden van 200 mensenlevens. Van bestrijdingswijze B is het resultaat onzekerder; er is circa 33% kans dat er 600 mensenlevens worden gered en 67% kans dat er geen mensenlevens worden gered.

Dit probleem is identiek maar het is beschreven in termen van winst (het redden van levens) in plaats van verlies (het aantal doden). Dit is een klassiek voorbeeld van wat we in de psychologie framingnoemen. In het eerste voorbeeld werd gebruikgemaakt van een verlies-frame, in het tweede voorbeeld van een winst-frame. Bij een winst-frame blijken mensen een voorkeur te hebben voor zekerheid: 72% van de deelnemers koos in dit geval optie A. 

Het gekozen frame, de wijze waarop het probleem geformuleerd wordt, heeft dus invloed op de beslissing. Bij een verlies-frame geven mensen de voorkeur aan risico, bij winst aan zekerheid. In het algemeen hebben mensen een sterke aversie tegen verlies. Een aanbod van een energieleverancier geformuleerd als “Bij ons bespaar je 15 cent per dag” is daardoor minder effectief dan hetzelfde aanbod in een verliesframe: “Elke dag dat je niet voor ons kiest verlies je 15 cent”.

Aanrijding of crash

Dit illustreert dat je de voorkeuren en meningen van mensen sterk kunt beïnvloeden door hoe je iets presenteert. Dat kan niet alleen met een winst- of verliesframe, maar ook door woordkeus of gebruik van metaforen (zoals een tsunami van vluchtelingen). Wanneer je iets bijvoorbeeld omschrijft als een beperking, klinkt het minder uitnodigend om eraan te werken dan als je het omschrijft als een uitdaging.

In een klassiek onderzoek van Elisabeth Loftus zagen deelnemers filmclips van een botsing tussen twee auto's en werd gevraagd te schatten hoe hard de auto’s reden. Bij de vraag ‘Hoe hard reden de auto’s toen ze tegen elkaar knalden?’ (smashed) werd de snelheid hoger ingeschat dan bij ‘toen ze elkaar raakten’. Een ander voorbeeld komt uit recenter onderzoek: Precies dezelfde beelden van een kruisverhoor worden negatiever beoordeeld wanneer ze worden omschreven als torture (marteling) dan als enhanced interrogation.

Niet alles is framing

In deze tijd van polarisatie roepen sommige mensen wel heel makkelijk ‘framing’ wanneer iemand iets zegt dat hun niet aanstaat. Je kunt niet alles waarmee je het oneens bent ‘framing’ noemen. Tegelijkertijd komt framing komt vaker voor dan je denkt (ook door degenen die anderen ervan beschuldigen) en vaak zelfs zonder dat het de bedoeling is van de spreker of schrijver. Zowel journalisten (zenders) als lezers en kijkers (ontvangers) doen er dan ook goed aan meer bewust te letten op woordkeus. Denk bijvoorbeeld aan discussies over
-  landbouwgif of gewasbeschermingsmiddelen
-  klimaatopwarming of klimaatcrisis
-  dierenactivisten of dierenbeschermers
-  boerenactivisten of ‘hardwerkende boeren’
-  vluchteling of gelukszoeker

In het algemeen merken we het niet zo snel wanneer iemands woordkeus of formulering sturend is, en zijn we dus niet gewapend tegen beïnvloeding daardoor. Vandaar de uitspraak: Waar taal sturend is, zullen mensen volgen. Ze hebben het zelf niet in de gaten. Door er bewust op te letten, maak je jezelf minder vatbaar voor al dan niet opzettelijke framing.

Barnum-effect

Iedereen heeft dezelfde unieke eigenschappen


De meeste mensen vinden van zichzelf dat hun persoonlijkheid vele kanten en vele dimensies heeft. Paragnosten, astrologen en amateur-psychologen doen daar hun voordeel mee als ze bijvoorbeeld zeggen: ‘Je houdt van mensen en je bent in wezen heel sociaal, maar van binnen ben je ook onzeker en bezorgd of je er wel bij hoort.’ of: ‘Je hebt gevoel voor humor en je vindt het leuk om lol te maken, maar je hebt ook een serieuze kant die dieper over de dingen nadenkt.’ of: ‘Je bent sterk; als je iets echt wilt, dan vecht je ervoor, maar je hebt ook een zachte, kwetsbare kant die je vaak niet laat zien.’

Bijna iedereen denkt bij dit soort beschrijvingen: ‘Ja, precies! Dit gaat helemáál over mij!’ Dit herkennen van jezelf in een heel algemene beschrijving heet het Barnum-effect*, naar P.T. Barnum die in de 19e eeuw een rariteitenshow had en zei: “we’ve got something for everyone”. Mensen herkennen zichzelf sterk in een beschrijving die zogenaamd speciaal over hen gaat, en zien deze als uniek van toepassing op zichzelf. Ze zien niet dat de beschrijving evengoed voor anderen kan gelden.

Het Barnum-effect wordt ook vaak Forer-effect genoemd, naar de onderzoeker die het als eerste demonstreerde. Deelnemers deden een persoonlijkheidstest. Wat ze ook invulden, ze kregen het volgende testresultaat:

Je wilt graag aardig gevonden worden en gerespecteerd worden door anderen, maar je bent wel kritisch op jezelf. Je hebt veel capaciteiten die nog ongebruikt zijn en nog ontwikkeld moeten worden. Aan de buitenkant laat je het niet altijd blijken, maar je bent soms onzeker en bezorgd. Je vraagt je vaak af of je wel de goede beslissing hebt genomen. Je wordt ontevreden als je wordt gehinderd door beperkingen en regels. Je bent een onafhankelijke denker, je neemt niet klakkeloos iets van anderen aan. Maar je hebt ook gemerkt dat het niet altijd verstandig is alles te zeggen wat je denkt. Je bent vaak open en sociaal, maar op andere momenten ben je gesloten en gereserveerd. Sommige van je ambities zijn wat onrealistisch.

Bijna alle deelnemers vonden deze beschrijving sterk tot zeer sterk van toepassing op zichzelf. Ook in een onderzoek waar deelnemers een uitvoerige astrologische analyse van een massamoordenaar voorgelegd kregen, trad hetzelfde effect op.

Het Barnum-effect verklaart het succes van allerlei pseudo-wetenschappen, zoals astrologie, grafologie en numerologie. Doordat mensen zichzelf herkennen in de beschrijving, denken ze dat de ander een bijzonder inzicht in hen heeft. Ook het succes van populaire persoonlijkheidstesten berust deels op dit verschijnsel, want veel testen waar “types” uit komen zijn wetenschappelijk niet goed onderbouwd, ook bijvoorbeeld de veelgebruikte Briggs-Myers typologie. 

Moeilijk doen

Moeilijke woorden gebruiken lijkt intelligent, maar is dat juist niet

“De zelfversterkende rol van affect kan worden verklaard door de selectieve activatie en verhoogde toegankelijkheid van stemmingscongruente cognities.” Ben je er nog? Deze zin staat in een psychologieboek. Er had ook kunnen staan: “Als je een bepaald gevoel hebt, gaat dit vaak zichzelf versterken. Dit komt doordat je meer gedachten en herinneringen hebt die passen bij je gevoelens. Ben je bijvoorbeeld boos, dan heb je eerder negatieve herinneringen over diegene en je zult diens gedrag negatief interpreteren. Daarmee gaat de boosheid zichzelf versterken.”

Hier staat ongeveer hetzelfde. Bij welke versie vind je de schrijver nu het meest intelligent? Deskundig? Eerlijk antwoorden.

Geef toe: de eerste versie komt intelligenter over. Het lijkt alsof de schrijver het veel preciezer weet. De tweede versie lijkt over iets gewoons te gaan, iets wat iedereen snapt. Toch getuigt dát juist van meer intelligentie, vind ik. Om het zo te vertellen dat iedereen het begrijpt moet je het écht snappen, je moet erboven staan. Als je die extra stap niet kunt nemen, is je wereld kleiner.

Baudet-effect

Soms doen mensen moeilijk om te verhullen dat ze ergens de ballen van snappen. Soms snappen ze het wel, of een beetje, en willen ze met moeilijke woorden anderen imponeren of aftroeven. Het Thierry Baudet-effect, zeg maar. En dat werkt nog ook, want anderen durven niet te zeggen “Wat bedoel je nou eigenlijk?” of "Hé, praat even normaal, wil je".
 
Ik verdenk mensen er soms van dat ze het ook wel fijn vinden, die moeilijke woorden. Het geeft misschien het gevoel dat zij intelligenter worden, doordat ze erbij zijn. En misschien dat moeilijke woorden ook een soort houvast geven. Alsof het zekerheid geeft; er is een woord voor, dan is het dus echt iets. Alsof je ergens meer greep op hebt door een woord. En hoe moeilijker het woord, hoe meer ze het idee hebben dat het over iets belangrijks gaat. 
 
Maar dat is dus niet waar! Dus laten we voortaan bij moeilijke woorden allemaal gewoon zeggen: “Pardon? wat bedoel je precies? Nu even in gewoon Nederlands graag”. Dan is het gauw afgelopen met die poeha.

 

Proactief

Wees geen slachtoffer, geen dwarsligger, maar kleine zelfstandige

Leidinggeven wordt vaak wordt omschreven als ‘omgaan met zeuren’. Dat komt doordat werknemers niet pro-actief zijn (vandaar misschien ook dat daar zo vaak naar wordt gevraagd in personeelsadvertenties). Ze stellen zich op als slachtoffer, passief (‘dat moet mij weer overkomen’, ‘niemand gunt mij hier iets’, ‘zo zal het nooit lukken’) of als vechter, reactief (hakken in het zand: ‘ik pik het niet’, ‘ik sta voor mijn recht’).

Hun leven (en dat van hun manager) zou zoveel gemakkelijker zijn als ze zich gedragen als kleine zelfstandige, pro-actief: dit is mijn winkel en die laat ik zo goed mogelijk lopen. Ook als kleine zelfstandige loop je tegen obstakels aan, maar dan kijk je wat de beste oplossing is in de gegeven situatie. Je verspilt geen energie aan gemekker. Heb je hulp nodig, dan bedenk je wat de ander voor je kan doen. “Ik heb een probleem, en dit kun je doen om me ermee te helpen” is effectiever en sympathieker dan het ‘boe-oeoe’ en ‘bah’ van slachtoffer respectievelijk vechter.

Als kleine zelfstandige heb je een eigen ‘ondernemersplan’. Daardoor weet je waar je naartoe wilt en kun je de regie in handen nemen, in plaats van alleen maar te reageren op wat er om je heen gebeurt. Maar zelfs als je dit interne kompas goed hebt ontwikkeld, kan reactief gedrag nog vaak genoeg de kop opsteken. Je raakt emotioneel en vergeet eerst tot tien te tellen, je volgt impulsief een spur-of-the-moment, je laat je op sleeptouw nemen door de waan van de dag, je laat je overdonderen of raakt de weg kwijt als er veel op je afkomt.

Met ons zogenoemde impulsieve systeem kunnen we snel en primair reageren, op basis van onze instincten en ‘gut feelings’. Het impulsieve systeem werkt altijd, het kost ons geen enkele moeite, het werkt automatisch en zal altijd het roer in handen nemen als we moe zijn of in een noodsituatie. Dat gaat vaak goed, maar net als andere dieren reageren we dan op de prikkels om ons heen en bepalen we niet zelf de agenda.

Om pro-actief te kunnen zijn hebben we ons zogenoemde reflectieve systeem nodig, waarmee we plannen kunnen maken, de hoofdlijn bewaken, lange-termijn-doelen stellen en bewaken, tijdelijke impulsen onderdrukken waardoor we op koers blijven, plannen afstemmen op veranderingen in de omgeving, en geregeld pas op de plaats maken om te bezien waar we staan en waar we naartoe gaan. Dit systeem doet een beroep op onze innerlijke CEO, die zetelt in een deel van de hersenen dat bij mensen relatief goed ontwikkeld is (ongeveer 1/3 van de cerebrale cortex; bij katten is dat bijvoorbeeld 1/30), maar bij jonge mensen niet: pas na je 30is de interne CEO volledig ontwikkeld. 

Het reflectieve systeem werkt niet vanzelf. Je moet je hoofd erbij houden en af en toe je eerste neiging onderdrukken of uitstellen. Je moet soms even achteroverleunen en ‘uitzoomen’ voor de helicopter-view. Omdat de CEO een beperkte capaciteit heeft, raakt hij snel moe. Maar hij (of zij) wordt wel steeds fitter als we hem vaak gebruiken: oefening baart kunst.

Geld

Je wordt waar je aan denkt

Het stereotype van de vrek die niet aan zijn medemens denkt is bekend. Maar je hoeft niet rijk te zijn om asociaal te zijn: je hoeft alleen maar aan geld te dénken. Het maakt niet eens veel uit of je denkt aan veel geld (“Wat zal ik er allemaal eens mee gaan doen?”) of aan weinig (“Hoe moet ik rondkomen?”). Als mensen nadenken over geld, worden ze minder hulpvaardig en minder empathisch.

Dit bleek uit onderzoek* waarin men deelnemers op verschillende manieren aan geld liet denken. Dit had effect op allerlei uitingen van betrokkkenheid bij de medemens. Deelnemers die net aan geld hadden gedacht werden minder sociaal. Niet alleen gáven ze een ander minder hulp, ze vróegen ook zelf minder hulp als ze aan een hopeloze taak werkten en er iemand naast hen zat die wist hoe het moest.

Ook in andere opzichten waren mensen die aan geld dachten eenzelviger. Ze onthielden minder persoonlijke details uit een verhaal over iemands leven. Bij het kiezen tussen twee taken kozen ze vaker een taak waar ze alleen aan konden werken dan een taak waarbij ze moesten samenwerken. En ze konden zich minder goed verplaatsen in het perspectief van anderen.

Kennelijk is het zo dat denken aan geld ertoe leidt dat ons ‘sociale zelf’ op een laag pitje gaat. Het gebeurt ook als mensen denken aan weinig geld, dus het heeft niet te maken heeft met een gevoel van rijkdom.

De socio en de econoom in ons

Hoe zou het dan komen? Grofweg kunnen we zeggen dat er twee personen huizen in ieder mens.** Een econoom en een ‘socio’. De econoom is calculerend en rationeel. Hij bedenkt bijvoorbeeld: ‘De boete voor zwartrijden is 50 euro. Een kaartje kost 10 euro. Als ik geen kaartje koop word ik bij 1 op de 4 ritten gesnapt. Dus ik kan beter wel een kaartje kopen.’ De socio denkt niet aan geld. Hij denkt: ‘Als we willen dat de trein rijdt, moeten we allemaal meebetalen. Als ik zwart rij, betaal ik niet mijn bijdrage en benadeel ik anderen. Dus ik koop een kaartje.’ De socio zou zelfs een kaartje kopen als er geen controle was.

Je zou het niet altijd zeggen, maar ieder mens heeft beide wezens in zich. Soms is de econoom wat prominenter aanwezig, soms de socio. Mensen met een sterke econoom vinden socio’s sukkels. Mensen met een overheersende socio vinden economen immoreel. Maar in potentie hebben we ze allemaal beiden. Ze worden in verschillende situaties geactiveerd. Denk je aan geld, beloningen en transacties, dan is het voor de hand liggende resultaat dat de econoom wakker wordt. Dan word je minder sociaal en coöperatief. Onze samenleving, met al dat gepraat over economische groei, bonussen, kostenplaatjes en de prijzen in de winkels, zou dus eerder calculerende burgers kunnen creëren. Om de socio in mensen wakker te maken, moeten we de aandacht meer richten niet-materiële zaken. Bijkomend voordeel is dat dát nu net hetgeen is waar mensen gelukkiger van worden. The best things in life aren’t things.

 

Anoniem

Verloren in een te grote wereld

Veel uitingen van agressie worden veroorzaakt door machteloosheid. De agressor voelt zich buiten spel gezet en zoekt een manier om zich toch te laten gelden: “Je kunt niet om me heen!” of “Ik pik het niet!” – en om dan gehoord te worden. Ik denk dat veel geweldsincidenten op die manier te begrijpen zijn, en ook de vijandigheid van ‘de boze witte man’ die populistisch stemt. Veel mensen voelen zich onzichtbaar en opzij gezet in onze samenleving, en willen zich luid en duidelijk laten horen.

Als ik eerlijk ben herken ik dat gevoel van machteloosheid en onzichtbaarheid, en de frustratie daarover. Onze samenleving is dusdanig grootschalig, complex en vol van instituties, dat je als individu vaak volslagen anoniem bent. Als ik me weleens boos, verdrietig, gefrustreerd of opgefokt voel, komt dat steevast door de communicatie met een bedrijf of instelling. Volgens onderzoek moet je in je dagelijks leven idealiter drie keer zoveel positieve gevoelens als negatieve ervaren om tot zelfontwikkeling te komen (of je dit vandaag haalt kun je testen). Ik haal dat op sommige dagen niet, puur en alleen door déze ergernissen. Ik zou dus kunnen zeggen dat mijn persoonlijke groei wordt belemmerd door de logheid en onbeweegbaarheid van onze organisaties!

Helpdeskfrustratie

Zo stuurde mijn secretaresse laatst per expres de materialen voor een training naar de trainer. Die kwamen nooit aan, zodat dat zij op de dag van de training alles nog een keer moest gaan copiëren en naar de trainingslocatie moest afreizen. Dit zat ons niet lekker, dus we dienden een klacht in bij PostNL. We moesten een navraagformulier invullen. Toen we na geruime tijd niets hoorden en aan de bel trokken, bleek dat dit was zoek geraakt. Nog een keer ingevuld. Toen kregen we bericht dat we de orginele verzendbewijzen moesten sturen. Maar die zaten bij het formulier dat was zoek geraakt!

Of misschien herken je deze: je belt de klantenservice van een groot bedrijf – bijvoorbeeld een bank – à X cent per minuut en je hoort dat de “wachttijden langer zijn dan u van ons gewend bent” (dit is raar, omdat je dit bijna altijd hoort: je bent daar dus al aan gewend) en dat je beter via de website contact kan zoeken. Dat wordt steeds moeilijker, want om te kunnen mailen moet je vaak al extreem goed zoeken op zo’n site én een hele trits vragen beantwoorden. Als dat lukt, krijg je per mail als antwoord dat je voor dit probleem moet bellen naar de klantenservice. Waar weer dat bandje komt dat je je vraag via de website moet stellen.

Ik durf de stelling te verdedigen dat de ‘vervreemding’ in ons land, en de boosheid van de ‘kleine man’, goeddeels is terug te voeren op het gevoel van machteloosheid en anonimiteit dat bedrijven en instellingen ons voortdurend bezorgen. Opzeggen en ergens anders klant zien te worden is geen optie, het gebeurt immers overal. De crux is dat alles te groot en daardoor onhanteerbaar is geworden.

Empathie-protocol

Mensen hebben van oudsher altijd in groepen van 50 tot hooguit 100 geleefd, waarin ze iedereen kenden en face-to-face contact hadden. Onze instincten zijn daarop afgestemd: we willen een relatie opbouwen met de persoon die over onze zaak gaat en die persoon kunnen aanspreken als het fout loopt. Dat kan niet als je telkens met een andere medewerker van doen hebt, die jou niet kent en niks weet over de voorgeschiedenis, die daar zit om 15 gevallen per uur af te handelen, maar ter compensatie wel standaard zegt “wat vervelend voor u”, op een toon waarvan je meteen voelt dat ie komt uit het empathie-protocol ‘de klant kalmeren’.

Als ik dan bedenk dat bij de banken nog altijd de hoogste salarissen worden betaald in verhouding tot de resultaten, en dat die dankzij mega-overheidssteun nauwelijks te lijden hebben gehad onder de door henzelf veroorzaakte crisis velen heeft geraakt, dat onze ministers over dat soort onrechtvaardigheid alleen obligate uitspraken doen zoals “Dat moeten we onderzoeken” (net zo’n zin als “wat vervelend voor u”: uit het protocol ‘de burger kalmeren’), dat er alweer een nieuwe financiële crisis aan dreigt te komen omdat er structureel eigenlijk niets is veranderd, ja, als ik daar even bij stil sta, dan heb ik ook heel veel zin om ergens een bom te plaatsen en te roepen: “Hallo, HIER ben ik! En nu LUISTEREN, anders gaat er geknald worden!!”

Ja, dat lijkt me heerlijk. Dan zou ik opeens niet meer onzichtbaar zijn. Dan móesten ze wel luisteren.

Maar wat ik eigenlijk wil zeggen: we hebben allemaal die diepe behoefte om gezien te worden, erkenning te krijgen dat we ertoe doen. Maar frustraties over grote bedrijven en overheidsinstellingen moet je waar mogelijk van je afzetten en vergeten. Je verliest altijd. Choose your battles. Het is onrechtvaardig, maar het kost je uiteindelijk vreselijk veel tijd en negatieve energie en het levert niks op. Beter kunnen we het omdraaien; er met z’n allen op letten dat we de medemens – collega’s, mensen op straat, buurtbewoners – opmerken, zien staan, aandacht geven: ik zie je, je doet ertoe. Daarmee bied je een buffer tegen de dagelijkse existentiële ondermijningen vanuit de samenleving. En het geeft je een positief gevoel, dus goed voor je eigen groei-ratio.

 

Wachtvee

De pikorde in het ziekenhuis – met de patiënt onderaan

Afgelopen tijd ben ik een paar keer op de polikliniek van een ziekenhuis geweest. Voor mezelf of met iemand anders, in verschillende ziekenhuizen en op verschillende afdelingen. Telkens ben ik er met een enorm katerig gevoel vandaan gekomen. Zelden heb ik in mijn gewone leven zo sterk het gevoel gehad dat ik er totaal niet toe deed.

Een ziekenhuis betekent om te beginnen: wachten. Eerst wachten tot je überhaupt mag komen. Daarna natuurlijk in de wachtkamer. En de nieuwste trend is: als je dan eindelijk bent opgeroepen en denkt “nu gaat het gebeuren”: weer wachten. Bijvoorbeeld in het kleine omkleedkamertje voor de röntgenfoto, waar je je shirt moet uitdoen en de laborante lijkt te denken dat zoiets tien minuten duurt. Of in de lege kamer van de specialist, althans dat denk je dan nog. Want na het wachten verschijnt een co-assistent die mag opnemen wat je mankeert (heel uitvoerig volgens het boekje en niet gerelateerd aan de reden van je bezoek). Met een beetje pech ben je er dan nog lang niet, want na de co-assistent kan een volgende onderknuppel opdagen, bijvoorbeeld een arts in opleiding.

Komt de specialist, dan is het meteen duidelijk dat hij of zij nog meer te doen heeft. Ook als het een broekie is van hooguit 30 zoals ik laatst had. Hij legt de verwijsbrief van de huisarts voor zich en probeert te doen alsof ie dat al gelezen had en nu naar jou luistert. Maar pas terwijl jij praat, leest hij de brief van de huisarts. (Probeer voor de lol maar eens om het heel kort te vertellen en dan een vraag te stellen. Dan volgt vaag gestamel, want hij heeft niet geluisterd én heeft de brief nog niet uit.) Vaak besluit hij dan dat het nader onderzocht moet worden. Dat kon hij niet eerder bedenken omdat ie die brief niet had gelezen. Je wordt flux doorgegeven aan een assistente. En dan opeens moet je naar huis: wachten tot je wordt opgeroepen voor het onderzoek.

Soms komt de specialist helemaal niet. Ik heb een keer meegemaakt dat de arts in opleiding wegging om met de specialist te overleggen, ons een half uur liet wachten en uiteindelijk kwam vertellen dat ze die expertise niet in huis hadden. En toen waren we al meer dan twee uur in het ziekenhuis!

Je kunt de hiërarchie in elke organisatie vaststellen door te kijken wie er lacht om wiens grapjes, want mensen lachen vooral om grapjes van hoger geplaatsten. Die denken dus vaak ten onrechte dat ze lollig zijn, maar dat is weer een ander verhaal. Ook in de medische sector is dit vastgesteld.* Als patiënt krijg je niks mee van die grappen maar je weet het natuurlijk gauw genoeg: degene die je het eerst ziet als je binnenkomt heeft de minste status. Je moet je weg omhoog werken van baliemedewerkster via verpleegkundige naar co-assistent, en soms strand je daar al. Helemaal onderaan in de pikorde staan de patiënten. Het wachtvee. Die hebben verder niks te doen hoor. Die zijn object van procedures. Hun tijd is niet kostbaar.

Eigenlijk zijn die lange wachtlijsten een geluk bij een ongeluk. Veel kwalen gaan namelijk echt vanzelf over. Als je maar lang genoeg wacht, dan ben je weer beter en niet meer overgeleverd aan de specialist.

 

 

Seksistische mannen en vriendelijke vrouwen

Wat we kunnen leren van Donald Trump 

Geregeld overschrijdt Donald Trump de grens waar het de omgang met vrouwen betreft. Hij doet ongepaste voorstellen, kust vrouwen op de mond bij de begroeting, en beoordeelt ook in werksituaties vrouwen overwegend op hun uiterlijk en hun lichaam. Wat is er psychologisch gezien mis met deze man, afgezien van een ernstig geval van narcisme? Het is altijd gevaarlijk op afstand een diagnose te stellen, maar de signalen zijn dit geval wel zo extreem, haast karikaturaal, dat ik het erop durf te wagen

Seksuele overperceptie

Trump is niet de eerste machtige man die zich ongewenste intimiteiten veroorlooft. Macht blijkt* tal van psychologische effecten te hebben die tot dit resultaat kunnen leiden. Als je mensen macht geeft – zelfs als dat op volstrekt willekeurige basis gebeurt – worden ze doel- en aktiegerichter, ze voelen zich minder geremd. Ze zien vooral positieve resultaten, zijn minder bang voor mislukking en gaan onvervaard op hun doel af. Wat ze in hun hoofd hebben, doen ze. Ze eten meer, flirten meer, zeggen meer wat ze denken, en doen wat ze denken. En ze denken meer aan seks. Met name bij mannen is macht onbewust geassocieerd met seks.

Nog een effect van macht is een objectiverende kijk op andere mensen: zij worden gezien als instrumenteel om de eigen doelen te bereiken. Een kenmerk dat sowieso al sterk is bij narcisten als Trump. Is het je doel om je bedrijf aan de top te brengen, dan zul je als machtige persoon anderen beoordelen in termen van hun waarde om dat doel te bereiken. Maar heb je toevallig net zin in seks, dan heb je een ander doel en bekijk je mensen door die bril. Machtige mannen die aan seks denken, blijken zelfs vaker de voorkeur te geven aan een aantrekkelijke maar ongekwalificeerde medewerkster. Denken ze net aan succes, dan is het natuurlijk omgekeerd.

Door die instrumentele kijk op mensen, vergezeld van de menselijke neiging tot wishful thinking, zijn machtige mensen geneigd de seksuele interesse van anderen te overschatten. Een vrouw die gewoon vriendelijk glimlacht, wordt door haar mannelijke baas eerder gezien als seksueel ‘beschikbaar’ dan door haar mannelijke collega. Deze seksuele overperceptie door bazen blijkt direct van invloed op hun gedrag: de baas zal meer tekenen van seksuele toenadering tonen, zoals dichtbij zitten, aankijken en aanraken.

Overigens treden al deze effecten van macht op bij zowel mannen als vrouwen, maar doordat vrouwen overall veel minder aan seks denken, wordt bij hen de drempel van een verkeerde inschatting niet zo gauw bereikt.

Tezamen met het gevoel van onschendbaarheid en de onderschatting van risico’s door machtige mensen, is hiermee het scenario voor misbruik compleet. Zo kunnen kleine subtiele effecten van macht zich uiteindelijk vertalen naar grote misverstanden en zeer ongepast gedrag.

Welwillend seksisme

Als je Trump zou beschuldigen van seksisme, zou hij vermoedelijk zeggen: Ik heb juist helemaal niks tegen vrouwen, ik ben dol op vrouwen! Vooroordelen tegen vrouwen zijn niet verdwenen door het maatschappelijk taboe erop, ze zijn alleen maar ondergronds gegaan. Het vroegere seksisme (vijandig seksisme) weerspiegelt expliciet een negatieve houding ten opzichte van vrouwen, bijvoorbeeld het idee dat vrouwen altijd wat te zeuren hebben en hysterisch doen. Modern seksisme, ook wel ambivalent of welwillend (benevolent) seksisme genoemd, is gericht op bescherming, idealisering en affectie ten aanzien van vrouwen; zoals het idee dat vrouwen bescherming nodig hebben, dat ze lief of sexy zijn maar niet veel capaciteiten hebben, en dat achter iedere succesvolle man een goede vrouw staat die ook respect verdient. Juist doordat het vooroordeel niet meer expliciet wordt geuit, is het ook moeilijker te bestrijden. In werksituaties kan welwillend seksisme voor vrouwen minstens zo belemmerend werken als regelrechte vijandigheid.**

Zwijgen

Maar het probleem zit niet alleen bij creep Trump. Ik wil er wat om verwedden dat de meeste vrouwen bij wie hij over de grens is gegaan, daar helemaal niets van hebben gezegd – uit beleefdheid, gebrek aan assertiviteit, en misschien ook onder de indruk van de hele sfeer die hij om zichzelf heen heeft gecreëerd. Je hoeft als man niet eens Donald Trump te heten om ermee weg te komen. In een onderzoek*** werd vastgesteld dat vrouwelijke deelnemers dáchten dat ze er iets van zouden zeggen als een man in hun bijzijn een seksistische opmerking maakte. De meesten deden dit echter niet toen ze werkelijk in die situatie kwamen. Juist degenen die het belangrijk vonden om seksistisch gedrag te bestrijden, bleken de seksist (in werkelijkheid een handlanger van de onderzoekers) vervolgens positiever te beoordelen en als minder seksistisch te zien: het viel best mee wat ‘ie zei. Hiermee rechtvaardigden ze hun eigen zwijgen.

Doordat mensen vaak ook op elkaar letten om te bepalen wat er aan de hand is, ontstaat zo een situatie waarin iedereen denkt (inclusief de seksist): blijkbaar kan dit. Door te zwijgen geven vrouwen elkaar én de seksist een signaal dat het oké is. In de woorden van Edmund Burke: Er is maar één ding nodig om het kwade te laten zegevieren: goedwillende mensen die niets doen.

 

Delen

Geven is het nieuwe krijgen

Roos Vonk*

“Liefde is het enige dat meer wordt als je het met anderen deelt”. Deze uitspraak had ik vol overtuiging in mijn middelbare-school-agenda gekalkt. Nu, vele jaren later, weet ik beter: er zijn zovéél dingen die meer worden als je ze met anderen deelt. Plezier, enthousiasme, teamspirit, maar ook: orginele ideeën, authenticiteit, openheid en zelfonthulling – het is allemaal gedrag dat een wederkerige reactie oproept bij anderen, waardoor synergie kan ontstaan: het geheel wordt meer dan de som der delen. 

In feite worden alleen niet-wezenlijke zaken minder als je ze met anderen deelt, zoals geld, bezit en superioriteit; er kan er immers maar één de beste zijn. Op de werkvloer raken mensen soms in de verleiding hun aandacht op die zaken te richten. Ze willen beter zijn dan anderen, ze willen niet tekortgedaan worden. De successen van anderen zijn dan bedreigend en kunnen afgunst of rivaliteit oproepen. Er is weinig uitwisseling van kennis en ideeën; een ander kan immers met jouw idee aan de haal gaan. 

Deze competitieve houding kan zich voordoen tussen individuen, maar ook tussen teams of afdelingen. Als die dan met elkaar moeten samenwerken, is dat bedreigend: “zij” – hunnie – kunnen onze voorzieningen inpikken of ons overtroeven. Zo gaat veel energie verloren aan onderlinge strijd. Het is een van de oorzaken waardoor fusies vaak mislukken.

Deze manier van denken is typerend voor wat psychologen het fixed-pie-syndroom noemen: alsof er een taart is waarvan de een minder krijgt als de ander meer krijgt. Als zij meer hebben, hebben wij dús minder. Je vergeet dan dat de taart groter kan worden door samenwerking. Als je bijvoorbeeld je nieuwe idee of inzicht voor je houdt, ontstaat er geen uitwisseling; niemand kan erdoor geïnspireerd raken of jou inspireren. Niet alleen kan de taart hierdoor niet groeien, het getuigt ook van armoede-denken. Arme stakker, heb je echt maar zo weinig ideeën dat je ze als een waakhond moet beschermen tegen plagiaat? Kom op, je krijgt toch morgen gewoon wéér een idee. Er zijn zoveel ideeën, er is zoveel te leren en te ontdekken, daar hoef je echt niet zuinig over te doen.

Als je je idee deelt, en anderen erop reageren, ontstaat synergie en wordt de taart groter. Er komen nog meer ideeën opborrelen, er wordt meer kennis en informatie uitgewisseld, mensen gaan van elkaar leren, elkaar stimuleren, en dan ontstaan geleidelijk nóg meer ideeën en inzichten. Bij dit rijkdom-denken ga je uit van groei en ontwikkeling. Wat je weet en wat je leert deel je met elkaar, ook je blunders, opdat je er allemaal van kunt leren. Je hoeft niet beter te zijn dan een ander, je hoeft alleen jezélf te verbeteren. Iedereen wordt er beter van, jijzelf dus ook, als het collectief goed draait.

Bij deze manier van denken ben je niet primair gericht op het resultaat, maar op het proces. Ironisch genoeg zijn er aanwijzingen uit onderzoek dat de resultaten van een organisatie hier beter van worden – in termen van geld, nota bene. Als je deelt, groeit de collectieve taart en is er meer voor iedereen. Delen is het nieuwe hebben!

 

 

Valse hoop

De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens

Ongeveer de helft van de mensen begint het nieuwe jaar met goede voornemens. Vaak zijn dat voornemens die ze al eerder hebben gehad -- en die ze nog wel vaker zullen hebben, omdat het ook nu weer niet zal lukken. Zelfs als het menens is met die voornemens. Kennelijk doen we niet altijd wat we van plan zijn te doen (of te laten). Dit hangt samen met een paar algemene wetmatigheden van menselijk gedrag. Als je die kent, wordt het makkelijker jezelf én anderen te sturen. Lees verder als je wilt dat er iets terecht komt van je prachtige plannen!

We zijn geneigd onze eigen vastbeslotenheid te gebruiken als graadmeter voor de kans op succes van een voornemen. Bijvoorbeeld: je bent er hartgrondig van overtuigd dat je nu écht gezonder wilt leven. Je verlangt ernaar. Omdat je motivatie zo sterk is verwacht je dat het gaat lukken. Het blijkt echter dat iemands vastbeslotenheid op geen enkele manier voorspelt of het voorgenomen gedrag uiteindelijk wordt uitgevoerd.

De sterkte van je motivatie wordt beïnvloed door zogenoemde ‘hete overtuigingen’ – ter onderscheiding van ‘koude overtuigingen’ die rationeel en afstandelijk zijn. Als je bijvoorbeeld met de feestdagen de hele dag op je kont zit en je volvreet en -drinkt, voel je je daarna laf en vet. Vanuit dat onprettige gevoel heb je een sterke drang om gezonder te gaan leven: een hete overtuiging, op dat moment. Je houdt er geen rekening mee dat het heel anders voelt wanneer je een week later na een lange werkdag enorme trek hebt in iets lekkers in plaats van een rondje hardlopen en een bak radijsjes.

Wishful thinking

Een andere factor die je vastbeslotenheid beïnvloedt is het ‘valse-hoop’-syndroom. Als een voornemen de mist in gaat, denken mensen: ‘Ik heb het niet hard genoeg geprobeerd’. Het lijkt logisch. Je bent bezweken voor verleiding, je bood geen weerstand: dat betekent dan toch dat je niet genoeg je best hebt gedaan. Maar nu wil je het écht, en dan doe je wél je best, denk je. Je vergeet dat je dat vorig jaar ook dacht. Dit soort ‘positief denken’ is puur zelfbedrog. Het vermindert de kans op succes, doordat je reële hindernissen wegwuift. Blijkbaar leven we vaak liever met valse hoop dan zonder hoop.

Om die valkuil te vermijden, helpt het naar jezelf te kijken vanaf de buitenkant, alsof je naar een ander kijkt. Je ziet dan bijvoorbeeld iemand die al drie keer heeft besloten om komend jaar meer tijd te maken voor rust of voor gezin, en bij wie dat al drie keer is mislukt: telkens komt er ‘nog even dit belangrijke klusje’ tussen. Als het iemand anders was, hoe schat je dan de kans dat het nu wel gaat lukken? Precies... En verandert de zaak als die ander oprecht overtuigd is dat het deze keer wél lukt? Welnee, natuurlijk niet.

Je bent wat je doet, vinden we als we naar anderen kijken. Eerst zien, dan geloven. Geen woorden maar daden. Maar kijken we naar onszelf, dan hebben we de indruk dat onze goede bedoelingen en ons latente potentieel toch wel erg veel zegt over wie we zijn. Kijk naar jezelf door de ogen van een buitenstaander. Zou je dan niet concluderen dat dit een ernstig geval van wishful thinking is?

Onbenullige obstakels

Of je je plannen daadwerkelijk uitvoert, wordt niet bepaald door hoe sterk je intenties zijn maar door alledaagse hindernissen. Zo kan een gezonde leefstijl worden belemmerd door tijdnood (dus toch maar de auto, en niet naar die biologische winkel die een straatje om is), andere mensen en sociale druk (feestje, ‘doe niet zo ongezellig’, roken, drinken, toch wel leuk, ‘alleen deze ene dag’), verleiding (restaurant, bakker, ‘hmm dat ziet er lekker uit, morgen doe ik weer gezond’) en tal van andere obstakels die te onbenullig lijken om je nobele streven in de weg te staan, maar dat ondertussen wel doen.

Om hiertegen bestand te zijn moet je bij een voornemen een specifiek plan van uitvoering maken. Vertaal je voornemen in deelaktiviteiten en noteer in je agenda wanneer, waar, met wie en hoe je wat gaat doen. Mensen die dit doen blijken beter bestand te zijn tegen afleiding en hindernissen. Dat helpt ook wanneer je anderen wilt begeleiden bij het uitvoeren van hún mooie plannen. Of van de jouwe, trouwens.