Categoriearchief: Aktueel

Macht

Waarom machtige mensen het contact met de werkelijkheid verliezen

“Power corrupts, and absolute power corrupts absolutely”, is een bekende uitspraak van Lord Acton. Nu zijn er heus wel machtige mensen die hun invloed op een positieve manier aanwenden. Maar psychologisch onderzoek laat wel zien dat het verkrijgen van macht iets doet met een mens, en dat ze zich anders gaan gedragen zodra ze macht krijgen – zelfs als dat op volstrekt willekeurige gronden is.

Een van die effecten is dat machthebbers vaak een minder positief en minder genuanceerd beeld hebben van minder-machtigen. Ze nemen aan dat ze hun macht niet ten onrechte hebben gekregen. Als je de leiding krijgt over iemand, ben je geneigd te denken dat die ander minder competent is en jouw leiding ook wel nodig zal hebben. Door zichzelf meer talenten toe te dichten, kan de machtige persoon het machtsverschil rechtvaardigen; het is immers geen prettig idee als je de baas wordt over iemand die jouw gelijke is en zich heel goed zonder jou kan redden. Daarnaast is gebleken dat leidinggevenden vaak minder aandacht besteden aan de individuen die ze onder hebben, en dus meer simpel en stereotiep over hen gaan denken, vergeleken met het omgekeerde.

BN'ers in talkshows

Macht kan ook leiden tot overschatting van de eigen kwaliteiten en het eigen beoordelingsvermogen. Mensen in hoge posities menen vaak dat ze snel en met weinig moeite een goed beeld van allerlei zaken hebben en aan een half woord genoeg hebben. Zo kan iemand die opklimt tot leidinggevende door bepaalde specifieke talenten (bijvoorbeeld organisatietalent of vakinhoudelijke kennis), ten onrechte aannemen dat hij overal verstand van heeft. Daaraan ligt een misverstand ten grondslag dat weleens het Johan Cruijff-effect wordt genoemd; Cruijff had een mening over diverse niet-voetbal-gerelateerde onderwerpen – waarover hij wellicht even weinig wist als ieder ander. Andere mensen luisterden daar niettemin aandachtig naar vanwege zijn status. We zien dit verschijnsel nu steeds vaker met BN'ers die in talkshows aanschuiven om hun 'licht' te laten schijnen op issues waar ze even weinig van weten als de man of vrouw in de straat. 

Slijmen

Het al te rooskleurige zelfbeeld van mensen met macht en status wordt door anderen versterkt en zelden gecorrigeerd, want die geven hun nauwelijks adequate feedback. Iedereen wil immers iets van ze. Mensen met macht en aanzien zeggen zelf altijd dat ze het door hebben als er tegen ze wordt geslijmd, maar ik kan na vele jaren onderzoek hierover stellen dat niets minder waar is. Ze zullen het vast weleens een keer opmerken, maar al die keren dat het níet opmerken, daar hebben ze geen weet van – de keren dat ze dachten dat ze grappig waren omdat er beleefd werd gelachen om hun flauwe grappen, of dat ze, zoals Trump, uit een gesprek kwamen met het idee dat ze ergens echt veel kijk op hebben, want niemand durfde hun gewauwel te corrigeren. Nadat Trump zich door deskundigen liet informeren over Covid19, kwam hij naar buiten en verklaarde tegenover de pers: 'Ik hou van deze stuff, ik begrijp het echt. Al deze artsen zeiden: Hoe kan het dat u er zoveel over weet?' Het lijkt nogal strijdig met diverse video's op internet waar je ziet dat deskundigen op de achtergrond door de grond willen zakken over wat Trump uitkraamt. Hun lichaamstaal spreekt boekdelen. Maar hardop zeggen ze niets. 

Een Washington Post-journalist die mij ooit hierover interviewde, concludeerde dat de gevolgen hiervan niet gering zijn. Hoe machtiger iemand wordt, des te minder realistische feedback krijgt hij, des te meer verstoord zal zijn kijk op de werkelijkheid zijn – terwijl alles wat hij doet des te meer gevolgen heeft, juist door zijn macht. Het interview vond plaats zo'n tien jaar voordat Trump president werd en een karikatuur van dit zorgwekkende scenario tot werkelijkheid maakte. 

 

 

Applaus

Het effect van publiek in de studio op televisie        

Roos Vonk

Mensen hebben de neiging elkaar automatisch na te doen. Dit is een oeroud mechanisme dat we delen met andere dieren. Vissen in een school zwemmen allemaal dezelfde kant op. Kippen gaan eten als ze andere kippen zien eten. Mensen gaan opeens rennen als er ergens paniek is en ze anderen zien rennen, of ze lopen gedachteloos naar de verkeerde uitgang van het station, achter iemand anders aan. Gaat er bij een vergadering iemand hoesten, of gapen, dan kun je er donder op zeggen dat het overslaat. Gapen, krabben en lachen horen tot de meest besmettelijke gedragingen.

Dit betekent het nogal wat uit kan maken of je iets samen met anderen meemaakt of alleen. Als mensen samen zijn, juichen ze harder bij een sportwedstrijd en lachen ze uitbundiger bij een grappige film dan als ze alleen zijn. Dat komt niet alleen doordat ze elkaars gedrag versterken, maar ook elkaars gevoelens en stemming. De emotionele reactie van anderen beïnvloedt dus ook je eigen emoties. Hebben de mensen om je heen plezier, dan zul je zelf ook vrolijker worden dan als ze de pest in hebben.

Dit verschijnsel van emotionele besmetting is een belangrijke reden voor het gebruik van de ‘lachband’ bij komische programma’s op tv. Het lachen van anderen zorgt ervoor dat de kijker onbewust wordt aangestoken en meer plezier heeft. In de negentiende eeuw hadden Franse theatermakers dit al in de gaten: zij huurden mensen in die enthousiast klapten bij de voorstelling, claque genoemd. Vandaag de dag heeft het publiek bij televisieprogramma’s dezelfde functie (‘klapvee’). Onderzoekers die video’s analyseerden van klappende zalen, ontdekten dat de hele zaal gaat klappen als een paar mensen beginnen, en ook weer verstomt als een paar mensen stoppen. Het applaus en het uitdoven daarvan verspreiden zich door de zaal als een virus. Naarmate het applaus meer volume heeft, lijken mensen dit ook te ervaren als een signaal om langer door te gaan met klappen. Zo kan een artiest met dezelfde voorstelling de ene avond veel meer applaus oogsten dan de andere.

Mensen zeggen weleens dat ze het gelach van anderen niet nodig hebben om te weten wat ze leuk vinden, of zelfs dat ze het irritant vinden. Onbewust zijn we echter toch veel meer groepsdieren dan we zelf beseffen. De afwezigheid van publiek bij televisie-programma’s sinds de coronacrisis, heeft vermoedelijk wel tot gevolg dat we netto iets minder lol hebben.

Onzekerheid

De voordelen van onafwendbare rampspoed

Sinds de coronacrisis leren we allemaal, vrijwel zonder uitzondering, hoe het is om te leven met onzekerheid. We weten niet hoe het verder zal gaan, of het ons of onze geliefden persoonlijk zal raken, en wat er gebeurt als dat zo is. Onderzoeksresultaten wijzen erop dat dit – een onzekere uitkomst – psychologisch gezien moeilijker te verwerken is dan een zekere negatieve uitkomst.

Doorlevers

Ik moest hieraan denken toen ik op de radio een gesprek hoorde met Barbara Slagman, die een boek schreef over doorlevers: mensen die zich na een diagnose uitgezaaide kanker (in haar geval longkanker) voorbereiden op de dood, en dankzij nieuwe medische ontwikkelingen blijven leven. Mooi toch, zou je denken: allemaal extra tijd die je wint. Maar zo makkelijk is dat niet, vertelde Slagman. Als je weet je eind nabij is, weet je wat je te doen staat in de tussentijd die je nog hebt. (Het trof me dat ze dit ‘tussentijd’ noemde; is ons hele leven eigenlijk niet tussentijd als je het zo bekijkt?) Het klinkt gek, zei ze, maar je hebt een doel, iets waar je naartoe leeft. Zonder de zekerheid van dat eindpunt weet je niet meer hoeveel tijd je nog hebt, je weet niet hoe je je zult voelen, of je weer pijn zult krijgen, weer bestraald moet worden, hoe andere mensen reageren – ze gaf een grappig voorbeeld hiervan: Je had afscheid genomen van je tandarts en opeens sta je daar weer voor een controle, ‘Hallo, ik ben er nog’.

Het psychologisch immuunsysteem

De last van de onzekerheid die ze beschreef komt overeen met wat we weten uit onderzoek van Wilson en Gilbert, die dit koppelen aan de rol van onze innerlijke spin doctor. Wanneer we slecht nieuws krijgen over iets dat zeker is en waar we niets meer aan kunnen veranderen, ervaren we in eerste instantie veel negatieve gevoelens. Maar na verloop van tijd gaan we er anders tegenaan kijken. Zonder het zelf te beseffen, geven we er met ons psychologisch afweersysteem een draai aan. Dat kan gebeuren bij allerlei noodlottige gebeurtenissen, bijvoorbeeld gedumpt worden door je geliefde (‘Achteraf denk ik dat we niet echt van elkaar hielden’) of afgewezen worden voor een baan (‘Het was ook eigenlijk helemaal geen fijn bedrijf’). Ons psychologisch immuunsysteem komt in actie bij alles wat ons welbevinden aantast. Het helpt ook een diepere zin en betekenis te geven aan onze rampspoed. Ook bij ernstige tegenslag, bijvoorbeeld invalide raken door een auto-ongeluk, blijken mensen toch geleidelijk op hun oude geluksniveau terug te keren (Gilbert heeft een leuke en interessante TedX-talk gegeven over dit onderwerp). Vaak geeft het zelfs een gevoel van verdieping, je ontdekt nieuwe kwaliteiten en gevoelslagen in jezelf.

De werking van deze onbewuste spin doctor kan paradoxale, contra-intuïtieve gevolgen hebben. Bijvoorbeeld dat we meer lijden door negatieve gebeurtenissen die we nog kunnen veranderen dan door onveranderbare. Wanneer we denken dat we iets kunnen verbeteren of ongedaan maken, valt er nog niets te ‘spinnen’ – de uitkomst staat immers nog niet vast. Onze spin doctor hoeft pas in actie te komen als er geen alternatief meer is en we van de nood een deugd moeten maken. Dat gebeurt wanneer de situatie onveranderbaar is – met als gevolg dat we juist dán een manier vinden om er na verloop van tijd de positieve kanten van in te zien en er zelfs gelukkig mee te zijn.

Onzekerheid verdragen

Hetzelfde geldt bij onzekerheid. Zo bleek in een onderzoek dat mensen die onzeker waren of ze een bepaalde erfelijke ziekte hadden (Huntington), minder gelukkig waren dan mensen die zeker wisten dat ze het hadden. Het laatste líjkt erger, maar juist bij deze mensen kon het psychologisch immuunsysteem in actie komen en de spin in gang zetten. De mensen die niet wisten of ze het hadden, zitten in dezelfde positie als de doorlevers, die niet (meer) weten of ze door hun kanker zullen sterven of niet. Het is die onzekerheid die het moeilijk maakt om het ‘een plaats te geven’; immers, wát precies moet je dan een plaats geven? 

In lichtere mate ervaren we dit nu allemaal door de dreiging van corona. Dat geeft onrust, maar het is ook een nuttige oefening in het verdragen van ongemak. Ons psychologisch afweersysteem dient ons welbevinden, maar het kan er ook voor zorgen dat we minder in contact staan met de werkelijkheid zoals die is – met alle onzekerheden en onduidelijkheden die bij het leven horen.

Onwetende oordelen

De beste stuurlui hebben de minste expertise

Roos Vonk

 

Je ziet het altijd al geregeld op internet en sociale media, maar sinds de coronacrisis lijkt een klassiek psychologisch fenomeen een vlucht te nemen: het we weten niet wat we niet weten-effect, oftwel Dunning-Kruger effect – genoemd naar de onderzoekers die aantoonden dat mensen hun eigen kennis en competentie sterk overschatten, doordat ze per definitie geen rekening kunnen houden met datgene wat ze niet weten of niet kunnen. Het effect blijkt vooral sterk te zijn wanneer mensen (a) sowieso weinig weten en (b) zich begeven op onbekend terrein – zoals wij allemaal waar het gaat om corona.

Het gevolg: stevige oordelen op basis van onvoldoende kennis. Zoals de NRC-hoofdredactie schreef: ‘Wie nu al stellig zegt dat het kabinet verkeerd zit, overschat zijn eigen voorspellende gave.’ Of, in de woorden van Geert Mak bij DWDD: ‘Pas achteraf zullen we weten wat wijsheid was.’

Ons kabinet wil enerzijds de verspreiding van het virus beperken, anderzijds ook onze levens niet meer dan nodig ontregelen. Het bewandelt een smalle evenwichtsbalk die ook nog voortdurend in beweging is, doordat we op onbekend terrein zijn waar de kennis van deskundigen onvolledig is en elke conclusie slechts een momentopname is. Ik kan me wel voorstellen dat leken, op basis van wat ze weten, overtuigd zijn van de noodzaak of rampzaligheid van een besluit. Bovendien zijn de deskundigen het niet altijd met elkaar eens. Maar juist zij beseffen dat dat ook bij wetenschap hoort, dat geen enkele conclusie in beton is gegoten en kennis altijd in ontwikkeling is. Zij kijken naar de totale configuratie van alle relevante afwegingen. Telkens als ik deskundigen hoor, leer ik weer over nieuwe aspecten waar ik helemaal niet aan had gedacht. Als buitenstaander kun je domweg niet alles overzien wat meespeelt.

Ik ben geen fan van dit kabinet – zeker niet van de volstrekt amorele, kortzichtige, opportunistische houding wanneer het gaat om klimaat, natuur en dierenwelzijn. Maar in de coronacrisis heb ik niet de indruk dat politiek of electoraal opportunisme leidend is in de besluitvorming. Het kabinet volgt nu eens (anders dan als het gaat om klimaat en natuur) wél wetenschappelijke adviezen, en het pragmatisme van Rutte lijkt zelfs goed van pas te komen; want hij is niet te ijdel of te principieel om plannen bij te stellen op grond van voortschrijdend inzicht of druk vanuit de samenleving.

De fase waarin mensen hun eigen kennis overschatten wordt door populaire auteurs ook wel ‘Mount Stupid’ genoemd; pas later, bij voortschrijdende kennis, ontdekken mensen wat ze niet wisten en bereiken ze, na het ‘Dal van Wanhoop’, langzaam de ‘Helling van Verlichting’. De top van die helling heeft nog niemand bereikt waar het om COVID19 gaat. Maar mensen met meer kennis en expertise beseffen de beperkingen van hun kennis beter. Die bescheidenheid zou meer mensen sieren en onze teamspirit ten goede komen.

Hinderlijk hamsteren

Dat doen alleen anderen

“Bent u aan het hamsteren?’ werd op de radio gevraagd aan mensen met overvolle karretjes in de supermarkt. Nee, was steevast antwoord. ‘Ik doe boodschappen voor de hele week en dan heb ik altijd zoveel’; ‘de pasta was in de aanbieding, daarom wat extra pakken’; ‘we hebben vanavond eters dus ik heb extra nodig’; enzovoort. Geen enkele winkelaar vond het woord hamsteren op zichzelf van toepassing. Toch weten we, door de lege schappen, dat er wel degelijk gehamsterd wordt.

De vraag rijst dan hoe effectief de oproep is om dat niet te doen Immers, niemand zal zich aangesproken voelen. Het is net als bij de Sire-campagne #doeslief. Niemand dacht: hé verhip, dat onbeschofte gedrag, dat is wat ik vaak doe, daar moet ik gauw mee ophouden. Mensen maken zich zorgen om de wellevendheid van ánderen.

Sociaalpsychologische experimenten wijzen erop dat onze kijk op anderen vaak realistischer is dan op onszelf. Het verschil zit ‘m erin dat we bij anderen vooral hun gedrag zien, datgene wat ze doen; bij onszelf kijken we naar binnen (introspectie) – naar wat we denken, willen, bedoelen. We menen een unieke bron van informatie te hebben doordat we toegang hebben tot onze drijfveren en afwegingen. Maar dat is een illusie. Onze blik naar binnen is notoir onbetrouwbaar – deels doordat we door een roze bril naar onszelf kijken (hinderlijk hamsteren, dat zou ik nooit doen), deels doordat onze beweegredenen grotendeels tot stand komen via onbewuste processen, en we de werkelijke achtergrond dus vaak echt niet kennen – bijvoorbeeld de onzekerheid door Corona, het gevoel er geen controle over te hebben en met extra boodschappen in elk geval nog íets zelf in de hand te kunnen nemen.

Dit gebrekkige zelfinzicht is een grote belemmering in psychologisch onderzoek dat gebruik maakt van zelfrapportage. Wat vindt u belangrijk in een politieke leider, wat is de ideale partner, hebt u weleens een #metoo begaan, waarom gebruikt u dit wasmiddel: de antwoorden van mensen wijken af van de reacties die ze feitelijk tonen in experimenteel onderzoek of in de realiteit. Als we op zelfrapportage zouden afgaan, zouden we tot een dramatische onderschatting van het hamstergedrag komen.
 
Het is tevens een belemmering in interventies voor gedragsverandering. Immers, of het nu gaat om hamsteren, onbeschoft gedrag, promiscuïteit of hygiëne in de keuken, degenen van wie je het gedrag wilt veranderen moeten zich aangesproken voelen. Daar ligt de ware uitdaging voor de communicatie-experts: het is de eerste klap die een daalder waard is. Want als mensen eenmaal goed herkennen dat het over hén gaat, is dat een eyeopener waar geen gedragsveranderings-nudge tegenop kan.

Schuld of schaamte?

Het groeiend ongemak over vliegen en vlees eten

Onze Taal heeft het toevoegsel -schaamte gekozen tot het woord dat 2019 het best typeert: vliegschaamte, vleesschaamte, lang-douchen-schaamte, het zijn woorden die ons groeiend ongemak over ons klimaat-onvriendelijke gedrag uitdrukken. Maar is dat ‘ongemak’ eigenlijk wel schaamte en niet schuldgevoel? Is daar verschil tussen en maakt dat uit?

Er zijn om te beginnen enkele belangrijke overeenkomsten. Bij schaamte en schuld leg je de oorzaak bij jezelf, anders dan bij emoties als boosheid of minachting. Het zijn emoties waarbij het zelfbewustzijn sterk is verhoogd, ze gaan over jezelf, en tegelijkertijd worden ze vaak opgeroepen in sociale situaties (hoewel ze ook vaak pas optreden als men uit die situatie is en alleen is). Het zijn allebei zogenoemde verzoeningsemoties: emoties die mensen ervaren als ze iets verkeerd hebben gedaan en de relatie met anderen willen herstellen. Beiden zijn ook emoties die mensen vaker voor zichzelf houden en niet snel delen met anderen, zelfs niet met hun vrienden, vergeleken met bijvoorbeeld boosheid, teleurstelling of verdriet.

Zowel schuld als schaamte zijn morele emoties, ze gaan over goed en fout. Maar een belangrijk verschil is dat schaamte meer gaat over wat anderen van je denken en minder over je eigen morele standaard. Schuldgevoel is sterk gekoppeld aan het schenden van een morele regel, vaak met schadelijke gevolgen voor anderen; schaamte kan door meer verschillende situaties ontstaan. Het is net als schuldgevoel wel gekoppeld aan het effect van je gedrag op anderen, maar bij schaamte zijn  mensen primair bezig met de gedachte: wat vinden anderen ervan? Bij schuldgevoel gaat het om wat ze er zelf van vinden, hun eigen morele standaard.[1]

Doordat mensen bij schaamte primair bezig zijn met het beeld dat anderen van hen hebben, ligt de aandacht bij zichzelf en zijn ze minder empathisch tegenover anderen. Het kan zelfs boosheid en rancune tegenover anderen oproepen en andere defensieve reacties. Schuldgevoel is een meer constructieve emotie, het leidt tot een behoefte om het goed te maken, de fout te herstellen (de relatie te herstellen, als je de belangen van iemand hebt geschaad), het volgende keer beter te doen.[2]

Is vlieg- en vleesschaamte echt wel schaamte en niet schuldgevoel? Ik weet het niet. Beiden kunnen door dezelfde situaties worden opgeroepen, en de ene persoon is schaamtegevoeliger dan de andere. Gaat het vooral om wat ánderen vinden van je klimaatonvriendelijke keuzes, dan is het schaamte. Dat zou passen bij wat we vaak zien: dat het mensen weliswaar dwars zit maar ze er evengoed mee doorgaan, vaak zelfs vrolijk 'Ik heb last van vliegschaamte!' koketterend. Op den duur kan ook schaamte wel tot gedragsverandering leiden, als duurzaam gedrag een sterkere sociale norm wordt. Mensen volgen uiteindelijk vanzelf de kudde. Maar vooralsnog moeten we het vooral hebben van mensen met vlees- en vliegschuldgevoel: die zullen al eerder naar duurzame keuzes switchen omdat ze hun eigen morele kompas volgen.

 

Klimaatstress

Complexe problemen besteden we liever uit – al is de prijs daarvoor hoog

Steeds meer mensen voelen een knagende twijfel bij hun klimaatonvriendelijke gewoonten, zoals vlees eten en vliegreisjes maken: klimaatstress. Niet dat we lopen te rennen en hijgen om klimaatverandering voor te blijven – het gaat immers om iets wat traag verloopt en waarvan we de gevolgen niet direct zien. Maar er is wel bezorgdheid, schuldgevoel en onzekerheid.

Een manier om dat soort gevoelens het hoofd te bieden, is vertrouwen op de overheid. Het is een complex onderwerp, we weten er bijna allemaal te weinig van en voelen ons als individu machteloos, dus het is wel zo makkelijk om de hele kwestie uit te besteden: de staat, die gaat erover. Het gevolg hiervan is, zo blijkt uit Amerikaans onderzoek*, dat mensen meer gaan vertrouwen op ‘het systeem’. Dit is een bekend psychologisch effect: naarmate mensen zich meer afhankelijk voelen van iets (bijvoorbeeld een instelling) of iemand, gaan ze er ook meer in geloven dat die alles goed regelt. Als je de toekomst van ons allen, onze kinderen en kleinkinderen in handen hebt gelegd van de overheid, moet je er voor je eigen gemoedsrust wel op vertrouwen dat ons lot daar in goede handen is.

Dit vertrouwen blijkt ervoor te zorgen dat mensen zich afsluiten voor nieuwe, potentieel bedreigende informatie over het onderwerp. Duidelijk positieve berichten willen ze nog wel lezen, maar negatieve of gemengde informatie niet. Dit leidt er weer toe dat ze een te rooskleurig beeld krijgen – want ze laten alleen nog positieve informatie toe – en nóg minder van het onderwerp weten. Dus wat begint met te weinig weten over een onderwerp, heeft uiteindelijk tot gevolg dat men nog onwetender wordt.

De onderzoekers toonden aan dat dit mechanisme vooral optreedt bij complexe onderwerpen – zoals klimaatverandering – en bij degenen die het het meest aangaat, dus bij wie het onderwerp stress veroorzaakt. Het uitbesteden aan de overheid kan die stress verminderen, maar de prijs die men daarvoor betaalt is hoog. Het betekent immers dat juist degenen voor wie het onderwerp gevolgen heeft, niet goed geïnformeerd zijn en niet in actie komen.

Aan de ene kant hebben mensen gewoon gelijk als ze grote, complexe problemen uitbesteden. Je moet wel, je kunt niet overal verstand van hebben (en dat geldt ook voor alle betwetertjes op internet). Aan de andere kant is het goed om waakzaam te blijven dat we ons niet afsluiten; om te voorkomen dat we er steeds minder van weten, moeten we de ontwikkelingen kritisch blijven volgen, ook als dat stress geeft.

Een manier om die stress enigszins te beperken, is op lokaal niveau aan het probleem werken, zeggen de onderzoekers. Dan blijft het overzichtelijk en heb je minder het gevoel dat je er alleen voor staat. Het lijkt misschien klein en onbeduidend, maar bedenk: niemand hoeft het alleen op te lossen. Met z’n allen, met ieders kleine verwaarloosbare bijdrage hebben we klimaatverandering veroorzaakt; dus met z’n allen kunnen we het ook weer afremmen. Je bent altijd deel van een grotere groep die gezamenlijk het verschil kan maken.

Framing

Waar taal sturend is, zullen mensen volgen

Stel dat dat je Minister van Volksgezondheid bent en wordt geconfronteerd met een uitbraak van een ziekte die naar verwachting zo’n 600 mensenlevens zal kosten. Er zijn twee mogelijke bestrijdingswijzen: Bestrijdingswijze A zal leiden tot eenzekerverlies van 400 mensenlevens. Van bestrijdingswijze B is het resultaat onzekerder; er is circa 33% kans dat er geen mensenlevens verloren gaan en 67% kans dat 600 mensenlevens verloren gaan.
 
Welke bestrijding zou jij kiezen als je deze beslissing moest nemen?

Van de deelnemers die in een veel geciteerd onderzoek van Tversky en Kahneman dit beslisprobleem kregen voorgelegd, koos 78% voor alternatief B. Ze namen dus een risico met een kans dat ze iedereen zouden redden. Een andere groep deelnemers kreeg hetzelfde probleem voorgelegd, maar op een andere manier gepresenteerd:

Er zijn twee mogelijke bestrijdingswijzen: Bestrijdingswijze A zalzekerleiden tot het redden van 200 mensenlevens. Van bestrijdingswijze B is het resultaat onzekerder; er is circa 33% kans dat er 600 mensenlevens worden gered en 67% kans dat er geen mensenlevens worden gered.

Dit probleem is identiek maar het is beschreven in termen van winst (het redden van levens) in plaats van verlies (het aantal doden). Dit is een klassiek voorbeeld van wat we in de psychologie framingnoemen. In het eerste voorbeeld werd gebruikgemaakt van een verlies-frame, in het tweede voorbeeld van een winst-frame. Bij een winst-frame blijken mensen een voorkeur te hebben voor zekerheid: 72% van de deelnemers koos in dit geval optie A. 

Het gekozen frame, de wijze waarop het probleem geformuleerd wordt, heeft dus invloed op de beslissing. Bij een verlies-frame geven mensen de voorkeur aan risico, bij winst aan zekerheid. In het algemeen hebben mensen een sterke aversie tegen verlies. Een aanbod van een energieleverancier geformuleerd als “Bij ons bespaar je 15 cent per dag” is daardoor minder effectief dan hetzelfde aanbod in een verliesframe: “Elke dag dat je niet voor ons kiest verlies je 15 cent”.

Aanrijding of crash

Dit illustreert dat je de voorkeuren en meningen van mensen sterk kunt beïnvloeden door hoe je iets presenteert. Dat kan niet alleen met een winst- of verliesframe, maar ook door woordkeus of gebruik van metaforen (zoals een tsunami van vluchtelingen). Wanneer je iets bijvoorbeeld omschrijft als een beperking, klinkt het minder uitnodigend om eraan te werken dan als je het omschrijft als een uitdaging.

In een klassiek onderzoek van Elisabeth Loftus zagen deelnemers filmclips van een botsing tussen twee auto's en werd gevraagd te schatten hoe hard de auto’s reden. Bij de vraag ‘Hoe hard reden de auto’s toen ze tegen elkaar knalden?’ (smashed) werd de snelheid hoger ingeschat dan bij ‘toen ze elkaar raakten’. Een ander voorbeeld komt uit recenter onderzoek: Precies dezelfde beelden van een kruisverhoor worden negatiever beoordeeld wanneer ze worden omschreven als torture (marteling) dan als enhanced interrogation.

Niet alles is framing

In deze tijd van polarisatie roepen sommige mensen wel heel makkelijk ‘framing’ wanneer iemand iets zegt dat hun niet aanstaat. Je kunt niet alles waarmee je het oneens bent ‘framing’ noemen. Tegelijkertijd komt framing komt vaker voor dan je denkt (ook door degenen die anderen ervan beschuldigen) en vaak zelfs zonder dat het de bedoeling is van de spreker of schrijver. Zowel journalisten (zenders) als lezers en kijkers (ontvangers) doen er dan ook goed aan meer bewust te letten op woordkeus. Denk bijvoorbeeld aan discussies over
-  landbouwgif of gewasbeschermingsmiddelen
-  klimaatopwarming of klimaatcrisis
-  dierenactivisten of dierenbeschermers
-  boerenactivisten of ‘hardwerkende boeren’
-  vluchteling of gelukszoeker

In het algemeen merken we het niet zo snel wanneer iemands woordkeus of formulering sturend is, en zijn we dus niet gewapend tegen beïnvloeding daardoor. Vandaar de uitspraak: Waar taal sturend is, zullen mensen volgen. Ze hebben het zelf niet in de gaten. Door er bewust op te letten, maak je jezelf minder vatbaar voor al dan niet opzettelijke framing.

De mythe van multitasken

Rutte was met zijn telefoon bezig toen Kamerlid Esther Ouwehand hem wilde uitleggen waarom we niet zonder natuur en biodiversiteit kunnen. “Maar ik hoor alles” zei hij. Dat denkt hij misschien, maar hij vergist zich: ons brein kan niet multitasken, hoe graag we ook willen.
 
Rutte ziet zichzelf vermoedelijk als een goede multitasker – net als de meeste mensen.[i] We denken dat vooral vrouwen er goed in zijn, en jongeren, die zijn immers opgegroeid in een wereld met veel snelle prikkels. Maar deze ideeën zijn door wetenschappers naar het rijk der fabelen verwezen. Niemand kan multitasken, ook vrouwen en jongeren niet. Wel kunnen we twee taken tegelijk doen als een ervan geautomatiseerd is, bijvoorbeeld tandenpoetsen of autorijden, althans zolang er niets bijzonders gebeurt op de weg). Maar we kunnen niet twee taken tegelijk doen die allebei aandacht vragen – zoals op je telefoon kijken en naar een betoog luisteren. We kunnen onze bewuste aandacht maar op één ding tegelijk richten.

Doordat we toch denken dit wel te kunnen, en dat steeds weer proberen, kost ons werk extra tijd en worden we minder effectief: het lijkt misschien alsof je dingen efficiënter doet, maar iedere switch van aandacht kost tijd en energie. Vooral bij complexe taken betekent dit dat je tot 40 procent extra tijd nodig hebt, vergeleken met de situatie waarin je de taken één voor één zou afronden.[ii] Ook neem je minder goed informatie op. Je kunt bijvoorbeeld wel twitteren of facebooken terwijl je tv-kijkt, maar zodra je aandacht daarop is gericht, mis je wat er op tv gebeurt. (Overigens is dat ook geregeld te zien aan de inhoud van tweets over mensen op tv: die gaan vaak alleen over hoe iemand eruitziet, niet over de inhoud.) Via beide kanalen krijg je in feite alleen nog maar flarden mee van wat er gebeurt.

Concentratievermogen: use it or lose it

Dit leidt uiteindelijk tot een nog belangrijker probleem: het brein went aan die snelle hap-snap-flarden. Daardoor verzwakt het vermogen je te concentreren, je te richten op één ding door andere prikkels te onderdrukken en je aandacht af te schermen van afleiding. Bij mensen die veel multitasken wordt dit vermogen niet getraind, en dan geldt: use it or lose it.

Multitaskers dénken dat ze goed presteren op een taak waarbij ze snel moeten switchen, maar ze blijken er juist slechter in te zijn dan monotaskers, mensen die maar één ding tegelijk doen.[iii] Vermoedelijk komt dat door hun slechtere vermogen om zich af te sluiten van de ene taak terwijl ze bezig zijn met de andere: ze kunnen hun aandacht minder goed focussen. Media-multitaskers, of ze nu jong of oud zijn, man of vrouw, zijn sneller afgeleid, hebben een zwakker werkgeheugen en zijn mede daardoor zelfs slechter in het switchen van taken.[iv]Ze scoren dus slechter op een test zoals hieronder. Ze vertonen ook een verminderd volume in het breingebied dat van belang is voor het focussen van de aandacht.[v]

Test: ben je een goede multitasker?

  1. Neem een stopwatch en kijk hoe snel je van 1 tot 10 kunt tellen.
  2. Doe nu hetzelfde met het opnoemen van de letters A tot en met J.
  3. En nu afwisselend letters en getallen, dus A, 1, B, 2, etcetera.
    Waarschijnlijk kost de derde opdracht je vier à vijf keer zoveel tijd als de paar seconden die je nodig hebt voor de eerste en tweede opdracht.

Bij de derde opdracht moet je multitasken: het werkgeheugen, waarmee je je aandacht op een taak richt, moet telkens schakelen van de ene naar de andere taak en daarbij moet je onthouden waar je gebleven was. Hetzelfde gebeurt als je, met je werkgeheugen gericht op je telefoon, tussendoor probeert om naar iemands betoog te luisteren.


Ik geloof er dus niks van als Rutte zegt “Ik hoor alles” terwijl hij met z’n berichtjes bezig is. Ik denk zelf ook weleens dat ik het nieuws op tv volg terwijl ik twitter. Maar ik heb dit een paar keer getest door het nieuws terug te kijken, en besefte dan dat ik er tijdens het twitteren helemaal niets van had gehoord. Ik kan iedereen, en zeker Rutte en andere politici bij Kamerdebatten, adviseren ook eens de proef op de som te nemen. Ruttes geheugen is al niet zo best, hij mag wel wat zuiniger zijn op wat er nog over is.
 
 
Deze tekst is deels ontleend aan het boek Je bent wat je doet van Roos Vonk (Maven Publishing, 2018).
 

Je bent wat je stemt

Alles wat je doet versterkt zichzelf, ook politiek

Vandaag kijkt de hele wereld mee met onze verkiezingen. Zal het ondenkbare ook hier gebeuren: Kan Wilders winnen? Gaat Europa de Verenigde Staten achterna? De vraag blijft prangend zolang er zoveel onvrede is onder kiezers, met name in de middenklasse; populistische partijen gaan uit van een tegenstelling tussen ‘het gewone volk’ en de elite – die wordt gezien als oneerlijk en misbruik makend van haar macht en privileges. Als je ontevreden bent, is het ook makkelijker om boos te zijn op andere mensen die jou onrecht doen dan op iets abstracts als robotisering (de belangrijkste oorzaak van werkloosheid) en klimaatverandering (een van de belangrijke oorzaken van het vluchtelingenprobleem).

Onvrede blijkt echter niet alleen de oorzaak te zijn van populistisch stemmen, maar ook een gevolg, zo toonden Nederlandse onderzoekers aan.* Vaak stemmen mensen populistisch omdat ze hun eigenbelang willen beschermen; ze willen bijvoorbeeld minder immigratie, meer veiligheid en (in Nederland) meer geld naar de zorg en eerder AOW. Wanneer ze stemmen op een politicus die hun belangen bewaakt – of dit overwegen – komen ze in contact met andere boodschappen van die partij, die hun onvrede verder aanwakkeren – zoals het idee dat gevestigde politici onbetrouwbaar zijn en alleen aan hun eigen elite-groepje denken (de ‘grachtengordel’ en ‘linkse hobby’s’).

Onvrede kan dus juist het resultaat zijn van populistisch stemmen. Zo ontstaat een spiraal waarin onvrede en populistische politiek elkaar versterken. Want politici spelen hier weer op in door tegen elkaar op te bieden in populisme, zoals we de afgelopen tijd zagen: Wilders, Rutte en Buma deden steeds wedstrijdjes ver-piesen over hoe stevig ze ‘het immigrantenprobleem’ aanpakken, en al doende wakkerden ze de onvrede hierover verder aan.

Het is een mooi voorbeeld van een algemener psychologisch principe: alles wat je doet versterkt zichzelf. We denken vaak dat ons gedrag voortkomt uit onze overtuigingen, maar het is ook omgekeerd. Als je bijvoorbeeld chagrijnig bent en je ernaar gedraagt, word je al doende steeds chagrijniger. Zo kun je je door je eigen slechte stemming op sleeptouw laten nemen. Ook weten we uit onderzoek dat mensen na het nemen van een beslissing onbewust bevestiging zoeken dat ze de juiste keuze hebben gemaakt.

Op die manier creëren we onze eigen werkelijkheid: je wordt wat je doet. Je gedrag versterkt je overtuigingen en omgekeerd. Die spiraal kan ten goede of ten kwade werken. Dat geldt voor ieder van ons als individu, maar het effect is des te sterker wanneer mensen elkaar aansteken en elkaar bevestigen dat ze tekort gedaan worden – in een van de meest welvarende delen van de wereld, mind you. Dat maakt het extra moeilijk die tendens te keren. De vraag is natuurlijk of de boze burger echt beter af is met een land vol ontevredenen – en met ‘leiders’ als Trump en Wilders om weer vreugde en vrede te creëren.