Categoriearchief: Dieren

Time-out

Een depressieve periode helpt je loslaten. 

In de farmaceutische wereld is er een bekende proef om de werking van nieuwe antidepressiva te testen: de rattenzwemtest. Een rat wordt in een bak water gegooid waar hij niet in kan staan. De rat probeert zwemmend en strubbelend eruit te komen, maar hij heeft nergens houvast dus dat is zinloos. Ratten zijn slimme beestjes, dus zo’n rat geeft het snel op. Dat is eigenlijk een uiting van het begin van depressie: de rat ziet het niet meer zitten. Werkt een medicijn tegen depressie, dan blijft zo’n rat dus veel langer proberen om eruit te komen. “Geef nooit op!” lijkt ie te denken.

Nu heb ik sowieso mijn twijfels over de zin van dierproeven, maar deze illustreert wel gemeen adequaat wat de makke is van zo’n antidepressivum. Die rat die het opgeeft heeft immers volkomen gelijk. Doorzetten is in dit geval zinloos. Zo denk ik dat ook de meeste mensen op zeker moment in hun leven in een situatie komen waarin ze moeten opgeven. Verliefd op de verkeerde, ongeschikt voor het werk dat je ambieerde, een vriendschap of relatie die maar niet vlot wil trekken ook al probeer je alles. De echte doorzetters doen er wat langer over, maar uiteindelijk kom je op een punt dat je het hoofd moet buigen en je verlies nemen. Dat doet pijn, nee wat zeg ik, het is deprimerend. In feite is dát het kenmerk van een depressie (uitgezonderd mensen die chronisch depressief zijn; mensen bij wie antidepressiva wél zin hebben): je erkent dat wat je ook doet, je het niet voor elkaar krijgt.

Dat je daar depressief van wordt, daar kun je je dan ook wel weer tegen verzetten, maar dan mis je nu juist de boodschap; die is: give it up. Een depressieve periode heeft een belangrijke psychologische time-out functie: het zorgt ervoor dat je loslaat. Je doet even niks, je kunt jezelf nergens toe zetten. Je overleeft, dat is alles. Je hebt zo’n periode nodig om terug bij de basis te komen, dingen vanuit een ander perspectief te bekijken. Als een karper die, nadat ie gevangen is geweest, naar de bodem zwemt om bij te komen. Overleven. Je weet het nog niet: je bent vrij. De lijn is los. Alles is weer mogelijk!

Als je voor die tijd keihard je best hebt gedaan om er wat van te maken, is die vrijheid geen onverdeeld genoegen: “another word for nothing left to lose”, zou Janis Joplin zeggen. Zo is het. Natuurlijk ga je zitten treuren om wat verloren is, en vind je alle dingen die nu mogelijk zijn totaal oninteressant. Dat hoort er ook bij. Maar al die tijd is je systeem bezig iets nieuws te leren over het leven. Dat heeft zijn eigen tempo. Denk aan de karper. Zijn tijd komt weer. Een depressie is een pas op de plaats. Juist hierdoor kom je tot een heroriëntatie. Geleidelijk, met vallen en opstaan, met hoop en wanhoop. Alleen op de bodem kom je in contact met de grondvesten van je leven.

 

Zullen we accepteren dat dat bij het leven hoort en die arme ratten met rust laten? 

Het mens-dier continuüm

Zijn alle dieren gelijk of zijn mensen beter?

Het lijken vaak wel de Hoekse en Kabelauwse twisten van deze eeuw: de discussies tussen voorvechters van dierenrechten en mensen die instrumenteel gebruik van dieren nuttig vinden.  Impliciet gaan deze discussies niet alleen over dieren, maar ook over de plaats van de mens op aarde. De tegengestelde meningen over de status van dieren hangen samen  wat wetenschappers ‘human-animal continuity’ noemen: de gedachte dat we allemaal dieren zijn, dat iedere diersoort eigen kwaliteiten heeft en de ene soort niet beter is dan de andere, en dat de overgang van menselijke naar niet-menselijke dieren gradueel is. Dergelijke opvattingen, die een egalitaire kijk op soorten weerspiegelen, worden gemeten met stellingen als ‘Dieren kunnen lijden net als mensen’ en ‘In een ideale wereld zouden mensen en dieren op basis van gelijkwaardigheid behandeld worden’. Het tegendeel hiervan komt tot uiting in bijvoorbeeld ‘Dieren hebben geen bewustzijn’ en ‘Mensen zijn superieur aan dieren’.Mensen die hiermee instemmen hebben een meer hiërarchische kijk op soorten. In hun perceptie is er een grote, essentiële kloof tussen mens en dier en zijn dieren minderwaardig aan mensen.

Wederzijds onbegrip

De test volgt een normaalverdeling, dus de meeste mensen zitten ergens hier tussenin. De discussie gaat tussen de mensen aan de ene of de andere kant. Mensen die een wezenlijke kloof zien, gaan er vanuit dat er weinig omgaat in dieren. De emotionele binding die anderen met dieren hebben, of de zorgen om dierenleed, zien zij als projectie van menselijke gevoelens op het dier. Omgekeerd begrijpen ‘dierenmensen’ niet hoe anderen de gevoelens en natuurlijke behoeftes van dieren kunnen ontkennen. Vanuit hun perspectief is er juist sprake van menselijke projectie als een boer bijvoorbeeld zegt: ‘Die dieren hebben het prima, ze zitten lekker warm binnen, krijgen elke dag hun natje en hun droogje’. Dat zou hij zelf misschien fijn vinden, maar gaat voorbij aan de soorteigen behoeftes van het dier.

Het wederzijds onbegrip lijkt moeilijk te overbruggen met argumenten. De kloof-denkers hebben Descartes, alle monotheïstische religies en het dominante denken binnen het kapitalisme aan hun kant; de egalitairen hebben inzichten uit de hedendaagse wetenschap aan hun kant. Het lijkt allemaal weinig uit te maken; het is een gevoel. Interessanter is daarom de vraag waar dat gevoel mee samenhangt. Uit onderzoek weten we dat mensen die zijn opgegroeid met huisdieren meer egalitair over dieren denken. Deels is het dus vermoedelijk een kwestie van eigen ervaring met dieren als deel van het gezin. Verder scoren links georiënteerde kiezers en mensen zonder religie hoger op human-animal continuity en empathie met dieren, zo vond ik in verschillende onderzoeken. Ik vond ook een verband tussen empathie met mensen en met dieren, maar dat is zwak. Er zijn ook heel empathische mensen die gevoelsmatig weinig met dieren hebben.

Machtsverhoudingen

Vrouwen zijn gemiddeld empathischer dan mannen, en bij empathie met dieren is dat verschil nog groter. Dat lijkt samen te hangen met hun meer egalitaire houding in het algemeen. Mannen zijn meer geneigd door een dominantie-georiënteerde bril te kijken (wie is wie de baas), vrouwen meer door een affiliatie-bril (met wie wil ik me verbinden). Dat uit zich in de manier waarop men naar dieren kijkt, maar ook naar menselijke groepen met een lagere status. Vanuit de dominantiebril is er een sterkere neiging om bestaande machtsverhoudingen te legitimeren. Dat heeft effect in veel domeinen, zoals het denken over immigranten, klimaatverandering en natuurbescherming. Voor iemand als Trump – een prototypische dominantie-denker – zijn natuur, dieren, klimaat, vluchtelingen, allen minderwaardig en ondergeschikt aan het belang van zijn groep, zijn land en zijn soort.

Dit weerspiegelt de overtuiging van dominantie-denkers dat de mens gerechtigd is alles wat niet-mens is te exploiteren of onderdrukken. De aarde, de natuurlijke hulpbronnen, de dieren, ze zijn er voor de mens. Er zijn grote materiële belangen gemoeid met deze overtuiging, die ook flexibel wordt ingezet als rechtvaardiging: experimenteel onderzoek heeft aangetoond dat de kloof vaak selectief is en kan verschuiven, naargelang de belangen die op het spel staan. Rechts-conservatieve mensen in de VS zijn sterker geneigd klimaatverandering te ontkennen als ze de indruk hebben dat klimaatmaatregelen hun economisch belang schaden. Vleeseters kennen minder morele status toe aan dieren als ze net een vleessnack hebben gekregen dan na een zoutje, en minder aan dieren die eetbaar zijn (bv. varkens) dan niet eetbaar (bv. honden).

De grenzen tussen ‘wij’ en ‘zij’ kunnen dus schuiven en dat gebeurt ook binnen samenlevingen als geheel. Ooit bestond het idee dat vrouwen geen ziel hadden, net als dieren, en waren zwarte mensen niet ‘onze soort’. Ooit werd er honend gelachen om mensen die daar anders over dachten. Lachen en bespotten kan een manier zijn om een bedreiging van de eigen superieure positie af te weren. Maar de kloof tussen ‘wij’ en ‘zij’ is ontegenzeglijk rekbaar en aan verandering onderhevig, en het ziet ernaar uit dat de cirkel van ‘wij’ zich steeds verder uitbreidt. Zelfs de dominantie-denkers zullen daar uiteindelijk in mee moeten, nu de gevolgen van die denkwijze voor ons leefklimaat pijnlijk duidelijk worden.

 

Principieel of pragmatisch

Hoe verspreid je diervriendelijk gedrag?

Als dierenvriend wil je graag dat de wereld beter wordt voor dieren. Hoe kun je mensen motiveren tot diervriendelijker gedrag? Op wie moet je je richten en wat is je boodschap? Daarover wordt verschillend gedacht. Het beste is natuurlijk als iedereen veganist wordt en we nooit meer dieren gebruiken voor wat dan ook, zelfs niet voor paardrijden. Zoals veganist Willem Vermaat zegt: De rug van een paard is niet gemaakt voor mensen om erop te zitten, net zo min als de uiers van een koe er zijn om melk voor mensen te maken. Het dier volledig in zijn eigen waarde laten, ik denk dat alle veganisten het hier over eens zijn. Het is goed dat dit principiële standpunt wordt verwoord, want zo is duidelijk waar de lat ligt.

Tegelijkertijd is dit ideaal voor het overgrote deel van de mensen heel veel bruggen te ver. Bij mensen die elke dag vlees eten en misschien niet erg bezig zijn met dierenwelzijn, kan zo’n principieel standpunt veel weerstand oproepen. Een organisatie als Wakker Dier steunt daarom ook initiatieven zoals de Kipster-kip. Nog rekkelijker is de Dierenbescherming, die Beter Leven-sterren toekent aan stalsystemen die in de ogen van veel dierenvrienden nog altijd totale horror zijn. In dit soort gevallen gaat het om een relatieve verbetering die in feite minimaal en onvoldoende is, maar wél de levens van enorm veel dieren iets minder verschrikkelijk maakt. Je kunt maar een beperkt aantal mensen tot veganisme bekeren, en je kunt heel veel mensen bewegen om iets minder vlees te eten, of vlees met meer sterren. Het is goed dat deze pragmatici er óók zijn, omdat ze de grote massa bereiken.

Moet die man niet behandeld worden?

Om mijn visie te illustreren heb ik het plaatje rechtsboven gemaakt. Het is een continuüm van standpunten over vlees, met aan de ene kant principiële veganisten en aan de andere kant mensen met een voorkeur voor exploitatie van dieren. Een voorbeeld is Henk-Jan Ormel van het CDA, die zelfs een vegetarisch kookboek van het Voedingscentrum wilde verbieden; hij vond dat de overheid het geld voor dat kookboek moest gebruiken om voorlichting te geven over het nut van dierproeven. Als dierenbeschermer zou je kunnen denken: moet die man niet behandeld worden? Maar bedenk dat dit altijd geldt als mensen ver van elkaar af liggen: de uitersten aan de linker- en rechterkant zullen elkaar nooit begrijpen. Dus spaar je energie en probeer niet om die mensen te overtuigen.

Tussen de extremen zitten allerlei soorten mensen: vegetariërs, scharrelvleeseters, vleesverlaters, doorsnee karbonade-met-bloemkooleters en kiloknallerconsumenten. Al deze standpunten liggen langs een continuüm dat in dit voorbeeld loopt van ‘vlees moet’ tot ‘niks van dieren gebruiken’. Ieder standpunt of gedrag kan op zo’n continuüm geplaatst worden. Zelf ben ik flexanist, vegetariër op weg naar veganisme. Dat heb ik weergegeven met het sterretje op de lijn.

Verwerpingsgebied

Daar omheen hebben mensen een omringend gebied van standpunten die ze ook aanvaardbaar vinden. Ik vind veganisme bijvoorbeeld heel goed, en aan de andere kant vind ik het ook aanvaardbaar als mensen die zelf kippen houden voor de eieren af en toe een haan opeten. Dit is mijn acceptatiegebied. Er zijn ook standpunten die daarbuiten liggen. Sommige daarvan vind ik verwerpelijk. Het standpunt van Ormel (‘vlees moet’) ligt in mijn verwerpingsgebied, net als de doorsnee plofkiphapper en onnadenkende na-mij-de-zondvloed-consument. Tussen mijn acceptatie- en verwerpingsgebied zitten standpunten waar ik geen sterke gevoelens over heb (onverschilligheidsgebied).

Bedenk dat het heel moeilijk is iemand te overtuigen van een standpunt dat in zijn verwerpingsgebied ligt. Ga zelf maar na: als je veganist bent zal niemand je ooit kunnen bewegen om elke dag vlees te eten. Stel dat je een relatie krijgt met een vleeseter, dan ga je heel misschien één keer per week biologisch vlees eten. Maar er zijn dingen waarvan je nooit overtuigd zult kunnen worden. Dat is een gebied waar je nooit zult komen. Voor vleeseters, aan de andere kant van het spectrum, geldt dat óók. Veel beter richt je je dus op mensen die op het continuüm minder ver weg zijn (die bijvoorbeeld al weinig vlees eten) of die nooit echt over het onderwerp hebben nagedacht, want die hebben een lage betrokkenheid en dus een groot acceptatiegebied.

Mensen verschillen niet alleen in waar hun standpunt ligt, maar ook in hoe groot hun acceptatie- en verwerpingsgebieden zijn. Ik neem twee bekende veganisten als voorbeeld, Tobias Leenaerts en Floris van den Berg. Floris vindt, net als veel veganisten, vegetarisme niet aanvaardbaar: vegetariërs willen geen dieren doden, maar met de productie van zuivel en eieren worden óók vele dieren gedood. Tobias Leenaerts bekijkt het meer pragmatisch en heeft daardoor een groter acceptatiegebied. Hij zegt: de grootste groep mensen is heel ver weg van veganisme en voor deze mensen is die stap dan ook veel te groot. Bekeken vanuit mijn continuüm zit de overgrote meerderheid van de Nederlanders inderdaad aan de linkerkant; veganisme ligt ver buiten hun acceptatiegebied. Mensen schuiven niet zomaar op naar een standpunt dat buiten hun acceptatiegebied ligt, dus je kunt beter kleine stapjes aanmoedigen. Veel mensen zijn te bewegen om flexitariër te worden, en wanneer velen dat doen heeft dat een gunstig effect op een groot aantal dieren.

Bovendien kan een kleine verandering de opmaat zijn naar een verdere verschuiving. Immers, als mensen eenmaal iets doen, gaat dat zichzelf versterken (ik heb dat uitvoerig beschreven in mijn boek Je bent wat je doet). Iemand die altijd vlees at en één keer per week vegetarisch gaat eten, ontdekt dát er vegetarisch ‘vlees’ bestaat, dat het kan. Die persoon raakt erover aan de praat met anderen, waardoor verdere bewustwording groeit. Zelfs als diegene het deed vanwege ‘onzuivere’ motieven, bijvoorbeeld gezondheid, heeft het toch effect. Omdat de meningen van mensen vaak het resultaat zijn van hun gedrag (niet omgekeerd; zie Je bent wat je doet), gaat zo iemand op den duur ook makkelijker erkennen dat vlees niet goed is voor dieren en milieu. 

Het ware Noorden

In het algemeen is de grootte van de gebieden afhankelijk van iemands betrokkenheid bij het onderwerp. Als mensen minder betrokken zijn bij een onderwerp, hebben ze een klein verwerpingsgebied. Ze vinden alles wel best, vaak hebben ze er ook nog niet goed over nagedacht. Mensen met een sterke betrokkenheid hebben een groot verwerpingsgebied: ze zien veel standpunten als verwerpelijk. Ormel vindt alleen al het maken van een vegetarisch kookboek verwerpelijk. Zo zijn er ook veganisten die vegetarisme verwerpelijk vinden: voor hen is alleen zuiver veganisme aanvaardbaar. Het is goed dat die mensen er zijn, omdat hun kompas ‘het ware Noorden’ aanwijst: hier moeten we naartoe en nergens anders. In de woorden van Remco Stunnenberg (in het tv-programma De Hokjesman over dierenmensen, een paar jaar geleden): ‘Als je weet dat verkrachten fout is, dan zeg je toch ook niet “Voortaan verkracht ik nog maar af en toe een vrouw”.’

Tegelijkertijd moeten we íedere beweging van links (veel vlees) naar rechts (veganisme) verwelkomen. Als iemand in de richting van meer diervriendelijkheid schuift, moet je dat dus aanmoedigen. Misschien dénk je aan het dierenleed dat diegene nog altijd veroorzaakt, maar je hoeft niet altijd alles te zeggen wat je denkt. Psychologisch is het effectiever om positief gedrag te belonen dan negatief gedrag te veroordelen. Als je mensen prijst om hun diervriendelijke keuzes is er meer kans dat ze diervriendelijker worden. Mensen zijn toch al geneigd om dierenvrienden te zien als fundamentalisten en zuurpruimen van wie ‘niks mag’. Dat is vaak niet terecht, het komt voort uit hun eigen weerstand, maar die weerstand versterk je alleen maar met oordelen. Wanneer je wordt gezien als moraalridder verlies je de sympathie die je nodig hebt om mensen te beïnvloeden en inspireren.

Als je zelf al verder bent kan dit lastig zijn, maar het helpt om het grotere plaatje te zien: de meeste mensen zitten links van het midden en als al die mensen iets diervriendelijker worden, heeft dat grote gevolgen, puur door de aantallen. Bovendien kan de ene stap altijd weer leiden tot de volgende. Sommige organisaties richten zich op die middengroep. Andere gaan verder en hebben daardoor een kleinere doelgroep. Al die mensen en al die organisaties sámen kunnen ervoor zorgen dat de samenleving als geheel diervriendelijker wordt.

 

De mens-dier connectie

Waarin mensen dieren zijn, en dieren net mensen

Mensen zeggen vaak: dieren ervaren en voelen anders dan wij, dus zij hebben er niet zo’n last van als ze worden opgesloten en gebruikt voor belangrijke menselijke doelen. In die visie zijn dieren min of meer gevoelloze ‘dingen’. Ze kunnen wel schreeuwen of piepen, maar dat is net zoiets als een knuffelbeer die piept als je erin knijpt: een soort mechanische reactie, geen bewijs dat de beer pijn heeft.

Als je aanneemt dat dieren heel anders zijn dan wij is dat geruststellend: dan hoef je niet over dierenleed na te denken. Er zijn wel mensen die claimen dat dieren ook lijden net als wij, maar dat is dan gewoon projectie van menselijke gevoelens op het dier, net zoals wanneer je de piepende knuffelbeer zielig zou vinden.

Het is zeker waar dat mensen allerlei gevoelens projecteren zelfs op levenloze voorwerpen. Dus als er mensen zijn die zeggen dat ze de pijn van een dier ‘voelen’ is geen bewijs. Er zijn ook mensen die ‘voelen’ dat God bestaat of dat homeopathie werkt of dat je chakra verstopt zit, dat is wetenschappelijk ook niks waard.

Maar wetenschappelijke bevindingen zijn er wel, en die tonen steeds duidelijker aan dat mensen en andere dieren op wezenlijke kenmerken niet verschillen. Alle illusies die de mens eeuwenlang over zichzelf heeft gekoesterd als superieure soort, vallen langzaamaan in de duigen. De mens blijkt een dier als elk ander. Natuurlijk, een dier met eigenheden en bijzondere talenten, maar dat hebben ze allemaal. De basis is hetzelfde.

Dat geldt in de eerste plaats waar het gaat om diepgewortelde behoeften en instincten, zoals de behoefte om natuurlijk soorteigen gedrag te tonen, om geen pijn te hebben, niet vast te zitten, samen met soortgenoten in een groep te leven (in het geval van groepsdieren zoals mensen, apen, honden, varkens, konijnen, kippen), een partner te zoeken en je voort te planten, je eigen kinderen groot te brengen en te beschermen tegen gevaar. Bedenk dat die oerbehoeften ook bij ons niets te maken hebben met onze hoge intelligentie of ons zelfbewustzijn, maar juist veel dieper zitten. De drang tot leven, tot binding aan soortgenoten en bescherming van jezelf en je naasten, zit bij ons juist zo diep omdat het oerbehoeftes zijn, behoeftes van het dier in de mens. Hierin zijn we niet wezenlijk anders dan andere groepsdieren.

Empathie en moraal

Datzelfde lijkt te gelden voor andere menselijke eigenschappen die we lange tijd hebben gezien als ‘hoger’ en uniek menselijk, zoals ons vermogen tot empathie en moraliteit. Bij empathie spelen spiegelneuronen een rol: de dingen die je een ander ziet doen, worden gespiegeld in je eigen brein, waardoor je bv. zelf ook je gezicht vertrekt als je iemand een zure citroen ziet eten, of gaat gapen als een ander gaapt. Dit automatisch spiegelen is niet alleen bij mensen aangetoond maar ook bij andere groepsdieren, bv. chimpansees, bavianen, honden (die gaan al gapen als ze een tekenfilm zien van een gapende soortgenoot), parkieten (zij imiteren elkaars gapen en ook uitrekken).

Verondersteld wordt dat automatische imitatie een kenmerk is van alle groepsdieren. Ook emotionele en lichamelijke ervaringen worden gespiegeld, zoals verdriet en pijn. Dit mechanisme wordt gezien als de basis van empathie. Het geeft een gevoel van verbondenheid en sympathie, niet alleen bij mensen maar bijvoorbeeld ook bij kapucijneraapjes. Spiegelneuronen zorgen ervoor dat dezelfde hersengebieden die worden geactiveerd wanneer je pijn hebt of iets emotioneels meemaakt, ook actief worden wanneer je iemand anders waarneemt die pijn of heftige emoties heeft. Je kunt dus letterlijk mee-lijden als iemand lijdt.

Volgens Frans de Waal is empathie de basis van moraal: als je je in een ander kunt verplaatsen en kunt meeleven, zul je je niet immoreel gedragen tegen die ander, je zult de gouden regel volgen: Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.

De Waal zegt dat empathie bij apen hun natuur is, het is al vroeg in de evolutie ontstaan – dus voordat homo sapiens ontstond. De basis van empathie bij mens en aap is dus hetzelfde. Dit betekent dat empathie en moraal geen ‘hogere’ cognitieve functies zijn maar juist aan de basis liggen. Dat wordt ook ondersteund door onderzoek naar moreel denken van o.a. Jonathan Haidt.[i] Dit onderzoek laat zien dat mensen bij morele oordelen hun instinct volgen en daar dan vervolgens een theorietje bij bedenken. Dat laatste doen apen niet, maar is dan ook overbodig. Het achteraf bedenken van theorietjes over dingen die je toch al vond en wilde, dát is wel typisch menselijk. (meer hierover in mijn boek Je bent wat je doet)

Er zijn nog vele andere voorbeelden van de gelijkenissen tussen dier en mens:

  • Alle dieren met een ontwikkeld centraal zenuwstelsel (gewervelde dieren: zoogdieren, vissen, reptielen, amfibieen en vogels) voelen op dezelfde manier pijn als mensen. Ook lagere dieren, zoals krabben, slakken en fruitvliegjes, blijken pijn enige tijd te onthouden en te vermijden wanneer ze de kans krijgen. Ook nemen ze pijnstillers als ze merken dat die in een drankje zitten[ii]. Net als mensen reageren dieren minder heftig op pijnprikkels wanneer ze een pijnstiller hebben gehad, en heftiger als de prikkel onverwacht komt.[iii] Pijn is niet een “reactie die veel denkkracht vereist”, zoals wetenschappers weleens claimen wanneer ze graag pijnlijke experimenten doen op dieren.
  • Alle dieren met een ontwikkeld centraal zenuwstelsel hebben bewustzijn in de zin van zintuiglijk bewustzijn, het kunnen ervaren wat er met je lichaam gebeurt. Dat is voldoende om pijn te voelen, te merken dat je behoeftes niet bevredigd worden, te lijden en te willen proberen je situatie te veranderen. Daarnaast is bij diverse dieren zelfbewustzijn aangetoond. Een tijdlang was dit alleen bekend bij mensapen en dolfijnen[iv]: als deze dieren zichzelf in de spiegel zien, weten ze dat zij het zelf zijn. Bij mensenkinderen ontwikkelt dit besef zich rond 1½ à 2 jaar. Dit wordt bij dieren getest door ongemerkt een vlekje op de huid aan te brengen. Het dier ziet dat vlekje in de spiegel en gaat proberen het weg te poetsen. Inmiddels is dit ook aangetoond bij olifanten. Weer een mooi voorbeeld van de menselijke beperking: aanvankelijk leek het erop dat olifanten zichzelf niet herkenden in de spiegel, maar de gebruikte spiegels waren gewoon te klein.[v]
  • Empathisch gedrag is niet alleen bekend uit onderzoek met apen maar bv. ook met muizen en ratten (onderzoek van Langford)[vi]. Ratten die naast een opgesloten soortgenoot zaten leerden net zo snel hoe ze die moesten bevrijden als dat ze door hadden hoe ze bij een hapje chocoladevlokken moesten komen. Vaak bevrijdden ze eerst de soortgenoot en wijdden zich daarna aan de chocola; de helft van de ratten deelde die zelfs met de andere rat.[vii] Net als mensen voelen dieren in het algemeen meer mee met hun naasten en hun eigen soort, maar net als bij mensen zijn er ook veel gevallen bekend waar een dier de zorg op zich nam voor een noodlijdend dier van een andere soort (bv. de gehandicapte tuimelaar die werd opgenomen in een groep potvissen[viii] of de twee kapucijnaapmoeders die een penseelaapje adopteerden.[ix]
  • Prosociaal gedrag, bijvoorbeeld iets delen met een ander waardoor je zelf minder hebt, omtwikkelt zich bij mensenkinderen naarmate ze ouder worden, vaak doordat een ander het goede voorbeeld geeft. Bij chimpansees blijkt dat precies zo te werken.
  • Spiegelneuronen zorgen ook voor een specifieke vorm van empathie: emotionele besmetting. Dit verschijnsel is onlangs ook aangetoond bij varkens. Als een varken gestrest is, nemen andere varkens – die van niets weten en dus de oorzaak van de stress niet kennen – die emotie over.[x] Net als mensen.
  • Groepsdieren hechten zich aan elkaar net als mensen. Moeders hebben dezelfde instinctieve behoefte om voor hun kind te zorgen als mensenmoeders. Dieren die paren vormen hechten zich aan hun partner. Als je de partner van een gans wegneemt, schieten de stresshormonen omhoog, en het helpt niks als je hem een andere partner geeft: hij wil zijn eigen partner terug.[xi] Van olifanten is bekend dat ze besef hebben van de dood en dat ze rouwen om de dood van een groepslid.
  • Net als mensen hebben veel dieren (ook bv. inktvissen, stekelbaarzen en koolmezen) een eigen individuele persoonlijkheid. Dit is lang niet bemerkt doordat a) de dieren vaak te kort werden geobserveerd om systematische verschillen te ontdekken, en b) observaties van het ‘karakter’ van dieren vaak door biologen werden afgedaan als vermenselijking. Het gedrag van veel dieren is echter beter te verklaren door rekening te houden met individuele verschillen, bv. tussen risico-mijdend/afwachtend en brutaal/risico-zoekend.[xii] Dat geldt zelfs voor kakkerlakken: in een onbekende open ruimte probeert de ene kakkerlak zich snel te verstoppen, de andere gaat op onderzoek uit.[xiii] Net als bij mensen hebben deze verschillen ook een evolutionair nut: het betekent dat er bij veranderende omstandigheden altijd een paar exemplaren zijn die iets doen dat goed is afgestemd op de nieuwe situatie.
  • Het gebruik van gereedschap en het onstaan van een regionale cultuur met eigen gewoontes zijn twee kenmerken waarvan lang werd verondersteld dat ze uniek menselijk zijn, die echter ook bij apen blijken voor te komen. Een derde kenmerk waar dat nu voor blijkt te gelden is het maken van plannen. Chimpansees die in het wild leven, blijken de avond tevoren als te plannen wat ze de volgende ochtend voor ontbijt willen; ze staan extra vroeg op als het een ontbijt is waarvoor ze op tijd op moeten omdat er anders kapers op de kust zijn. Hoe verder weg het beoogde fruit is, des te eerder staan ze op. Het gedrag van deze chimpansees lijkt te wijzen op ‘mental time travel’: je vooraf voorstellen hoe iets zal zijn op een later tijdstip.[xiv]
  • Alle dieren houden van spelen, ook vissen.[xv]
  • Duiven hebben een scherp visueel onderscheidingsvermogen en kunnen de verschillende stijlen van verschillende schilders onderscheiden, zoals Monet en Picasso; ze herkenden de schilder ook als ze de schilderijen niet eerder hadden gezien, ook als die zwart-wit of wazig waren en zelfs als ze verknipt waren in door elkaar gehusselde stukjes.[xvi]
  • Ook ratten voelen spijt. Spijt wordt gezien als een complexe emotie die hogere cognitieve functies vereist: je moet in staat zijn om je voor te stellen dat iets anders (beter) had kunnen zijn. Ratten die net een lekkere maaltijd hebben afgeslagen voor een maal dat tegenvalt, tonen alle tekenen van deze emotie: ze stoppen, kijken om en veranderen hun toekomstig gedrag. Ook in hun brein was te zien dat ze zich mentaal weer verplaatsten in het moment waarop ze de verkeerde keus maakten.[xvii]
  • Ook kapucijnerapen hebben gevoel voor rechtvaardigheid en worden echt boos als ze onrechtvaardig worden behandeld, weten we uit onderzoek van Frans de Waal en Sarah Brosnan.[xviii]
  • Ook orka’s hebben een auditieve taal, in de zin dat hun vocalisaties langdurig zijn, akoestisch complex, en bestaan uit verschillende elementen in een ingewikkelde, variabele volgorde. De vocalisaties worden beinvloed door ervaringen en door het plaatselijke ‘dialect’. Hetzelfde geldt voor zangvogels en gibbons. Wetenschappers hebben de taal ten onrechte ‘liedjes’ genoemd enkel en alleen omdat zij de betekenis ervan niet kunnen verstaan.[xix]
  • Spindle-neuronen, waarvan wordt aangenomen dat ze belangrijk zijn voor hoge cognitieve functies zoals leren, samenwerken en complexe communicatie, zijn ook aangetroffen in het brein van walvissen, in dezelfde regio als bij mensen en mensapen.[xx]
  • Na de mens, mensaap, dolfijn en walvis, is het varken het vijfde meest intelligente dier, althans in de zin van wat mensen onder intelligentie verstaan. Wat wij intelligentie noemen ontstaat vermoedelijk bij een soort onder druk van een complex sociaal leven samen met andere soortgenoten, waar onderlinge verhoudingen voortdurend in beweging zijn. Dat is het geval bij de mens, wij kijken door die bril naar intelligentie bij anderen dieren. “Misschien zijn we totaal blind en doof voor intelligentie van een andere orde”, zegt onderzoekster Diana Reis. “We zijn slechte scheidsrechters van onze eigen vermogens, laat staan die van andere dieren”, zegt kraaien-onderzoeker Alexander Thorton.[xxi]
  • Een andere categorie dieren die hoog scoren op IQ-punten zijn de kraaiachtigen (roek, raaf, kauw, zwarte kraai, bonte kraai, Vlaamse gaai, ekster). Roeken gebruiken ijzerdraadjes om voedsel uit een buisje te pulken (er is zelfs een wipsnavelkraai geobserveerde die een ijzerdraadje omboog tot een haakje om beter te kunnen vissen, terwijl ze nog nooit met ijzerdraad had gewerkt), en als het voedsel drijft in water gooien ze steentjes in het water zodat het wateroppervlak omhoog komt en ze erbij kunnen.[xxii] Kraaien die in steden leven, leren ook om gebruik te maken van het verkeer om noten te kraken. Ze letten zelfs op het stoplicht om te weten wanneer ze hun nootje weer kunnen oppakken.[xxiii]
  • Van gaaien en raven is bekend dat ze een theory of mind hebben: een besef van hoe anderen de wereld waarnemen (iets wat mensenkinderen ontwikkelen vanaf een jaar of 4 à 5): ze kunnen zich verplaatsen in het perspectief van anderen en weten precies wie wat heeft gezien, en maken daar gebruik van om anderen voor de gek te houden.[xxiv] Als gaaien bv. merken dat ze door een andere gaai gezien worden wanneer ze voedsel verstoppen, doen ze net of ze niks gemerkt hebben, maar zodra de de ander weg is gaan ze het ergens anders leggen.[xxv] Ook honden lijken een theory of mind te hebben, in elk geval waar het de mens betreft: ze volgen de blik van de baas om te zien waar die naar kijkt zodat ze kunnen anticiperen op wat die van plan is[xxvi]; en als ze iets niet mogen pakken, pakken ze het vaak toch zodra de baas zich omdraait of de ogen sluit: ze beseffen dat de baas het op dat moment niet ziet.[xxvii]

Je moet het de mensen nageven: zij hebben dit allemaal ontdekt en dat is buitengewoon slim! Je kunt met dieren niet praten in mensentaal, dus je moet slimme trucs verzinnen om hun vermogens in kaart te brengen. Maar de onderzoeken naar overeenkomsten tussen mens en dier, en naar unieke talenten van dieren die mensen niet hebben, laten nog iets anders zien: onderzoekers hebben zich nogal eens vergist. Ze hebben teveel vanuit zichzelf gedacht en daardoor het dier tekort gedaan. Inmiddels zijn we verder, maar het is onbekend wat we allemaal niet hebben ontdekt. Het idee dat het lijden van dieren ‘minder’ is en onze doelen ‘belangrijker’ kan in elk geval gediskwalificeerd worden als een vorm van wishful thinking en zelfbedrog. En ja, dat iets waar mensen wel uitzonderlijk goed in zijn.

 

De onbekende wereld

Een lesje bescheidenheid voor de mens

Roos Vonk

Je weet niet wat je niet weet. Heb je ergens geen kennis over, of geen talent voor, dan kan het voor jezelf lijken alsof je het er best goed vanaf brengt. Juist door je onwetendheid besef je niet wat er mis gaat en en hoeveel beter het had kúnnen zijn. Dit geldt voor individuele mensen wanneer ze op een bepaald gebied onwetend zijn. Maar het geldt ook voor de gehele mensheid, als soort. Er is een complete wereld die we niet zien, en het belang daarvan kunnen we onmogelijk beseffen juist doordat we geen idee hebben wat we missen.

Het is voor de mens moeilijk bescheiden te blijven, maar je zou wel wat harder mogen proberen als je het talent hebt om de levens van andere aardbewoners flink te verknallen. Daarom een lesje in nederigheid voor de mens. Wat andere dieren kunnen, en de mens niet. (Ja, de mens heeft dat toch maar mooi ontdekt, knap hoor. Maar wat we niet weten is wat we allemaal niet hebben ontdekt. Dat zou best eens veel meer kunnen zijn dan je beseft.)

Voorbeelden uit een wereld die compleet aan ons voorbijgaat: 

  • Ultrasoon geluid, waarvan de frequentie te hoog is om door mensen te worden gehoord, wordt wel geregistreerd door o.a. honden, muizen en dolfijnen. Vleermuizen en dolfijnen produceren het, om middels echolocatie de omgeving te verkennen. D.m.v. echolocatie hoort een dolfijn welke richting de vissen uit zwemmen en waar de grens van hun zwemgebied is. Hij hoort ook hoe een soortgenoot zich voelt, want gespannen spieren geven een andere echo dan ontspannen spieren. Echo-onderzoek, waarmee je in iemands lichaam kan kijken (zoals bij ons in het ziekenhuis met echo-apparatuur), is voor een dolfijn de gewoonste zaak van de wereld. Spitssnuitdolfijnen, met hun geavanceerde subtiele sonar-zintuigen, raken volstrekt de kluts kwijt door de giga-sonars van onze marine. Bruinvissen zenden zachte geluiden uit, dus hun gehoor is extreem gevoelig. “Als je hier voor de kust een paal in de grond heit, dan hoor je dat onder water tot in Schotland. Een bruinvis binnen een kilometer van zo’n klap is direct doof.”[i]
  • Geluid kan ook te laag zijn om door mensen gehoord te worden. Olifanten gebruiken een onhoorbaar laag geluid (een brom die ze opwekken door lucht langs de stembanden te blazen) om over lange afstanden met elkaar te communiceren. Ook muizen, padden en andere dieren die op de grond leven, horen meer lage tonen dan mensen: met hun pootjes, buik en staart voelen ze trillingen in de grond. Dat mensen het gehoor van deze dieren hebben getest met speakers op oorhoogte illustreert mooi de antropocentrische beperking in veel onderzoek naar dieren. De mens, die in het horizontale vlak leeft, denkt niet zo gauw aan het belang van hoogteverschillen. Een ander voorbeeld is dat het linkeroor van de kerkuil net iets hoger zit dan het rechter, waardoor de uil op het gehoor niet alleen de richting en afstand van zijn prooi kan bepalen maar ook de hoogte.[ii]
  • Vissen kunnen beweging waarnemen via receptoren in de huid.
  • Inktvissen en vleermuizen, waarvan mensen lang hebben gedacht dat ze blind waren, kunnen gepolariseerd licht waarnemen (inkomend zonlicht dat wordt verstrooid door de atmosfeer en dat bij lage zonstand polarisatiepatronen geeft), andere zoogdieren niet.
  • Vogels en rendieren kunnen ultraviolet zien. De pimpelmees bv. ziet de blauwe veren van soortgenoten als fel opkleurend licht; hoe beter de genetische kwaliteit, des te intenser de kopkleur en des te mooier ook de zang, en des te aantrekkelijker is de mees voor vrouwen. De vrouwen weten dit ook, want de eitjes die zijn bevrucht door zo’n ‘alfa-meesman’ leggen ze als eerste waardoor die meer kans hebben.[iii] Een ander voorbeeld is de waarneming van prooidieren door roofvogels zoals de uil en torenvalk: “Veel vogels zien het ultraviolet van muizenplas op grote afstand, ze lezen het landschap, ieder muizenplasje is als het ware een lichtje.”[iv]
  • Ratelslangen en boa’s nemen infrarood waar, waardoor ze temperatuurverschillen tot 0,003°C kunnen opgemerken.
  • Schildpadden en roodborstjes kunnen de magnetische velden van de aarde waarnemen ten behoeve van navigatie. Dikkopschildpadden vinden hiermee het strand waar ze geboren zijn, en waar ze later hun eieren leggen. (Hoe het precies werkt dat de vrouwen dit allemaal tegelijk doen, dat is nog onduidelijk. Althans voor de mens.) Het aardmagnetisch veld wordt verstoord door de magnetische straling van onze radio, waardoor de innerlijke ‘Tomtom’ van andere aardbewoners van slag raakt.
  • Waarneming en communicatie middels reuk (o.a. wolven, honden, konijnen en varkens). Veel zoogdieren laten complexe geursporen achter. Koala’s zijn hierom het meest bekend, zij hebben er speciale klieren voor. Met onze beperkte reuk ontgaat de wereld van geuren ons grotendeels, terwijl die vermoedelijk even rijk en complex is als de visuele wereld.[v] Wij doen geregeld een beroep op de reuk van andere dieren: denk aan het gebruik van varkens om truffels te vinden, of van speurhonden bij het vinden van gesmokkelde drugs in bagage, vluchtsporen, of slachtoffers van een lawine. Honden kunnen ook in een vroegtijdig stadium prostaatkanker ruiken aan urinemonsters, en longkanker detecteren doordat ze stoffen van kankercellen in iemands adem ruiken.[vi] Mensen hebben zo goed als geen chemische communicatie, terwijl dit voor veel andere dieren juist het belangrijkste kanaal is. Bedenk dat de reuk, anders dan andere zintuigen, de mogelijkheid biedt iets waar te nemen dat er niet meer is. Een hond kan bv. ruiken welk dier er geweest is, hoe lang geleden en hoe het dier gelopen is – dus een soort reconstructie maken. Communicatie via geur kan ook plaats vinden over een grote afstand waarbij obstakels nauwelijks hinderen. Een konijn dat rechtop gaat zitten en de neus nat maakt, doet dat om de wijde omgeving te kunnen ruiken (als de neus nat is ruikt ie beter; wij ruiken ook meer als het vochtig is). De aanmaak van feromonen speelt een belangrijke rol bij de voortplanting, verdediging, afbakenen van territorium en het weg houden van een andere groep.
  • Het ruimtelijk geheugen van sommige hamsterdieren (bv. sommige vogels en eekhoorns) is niet te evenaren door de mens: zij onthouden duizenden plekjes waar ze hun voedsel hebben verstopt, vaak zelfs na flinke veranderingen in het leefgebied.[vii]
  • Veel dieren communiceren niet met spraak zoals wij maar met geluiden. Gibbons hebben ± 20 verschillende geluiden waarmee ze in het oerwoud signalen aan elkaar doorgeven; varkens drukken hun gevoelens met zo’n 40 verschillende geluiden. Nieuw onderzoek laat zien dat die geluiden zelfs lokale dialecten kennen: het gegrom van chimpansees om verschillende soorten voedsel aan te duiden verschilt per regio/cultuur, en nieuwe bewoners nemen dat dialect na een tijdje over.[viii] Bij orang oetans in het regenwoud kan de dominante man zijn plannen bekend maken door de richting waarin hij roept: daarmee laat hij de vrouwen weten in welke richting hij de volgende ochtend gaat vertrekken.
  • Ook communicatie via lichaamstaal is voor dieren belangrijker dan voor mensen (hoewel steeds duidelijker wordt dat het ook bij mensen meer invloed heeft dan gesproken taal). Honden bijvoorbeeld communiceren met elkaar via lichaamstaal, net als andere groepsdieren, en door hun langdurige geschiedenis met de mens, lezen ze ook de lichaamstaal van mensen (inclusief het geluid van de stem), vaak beter dan mensen zelf. Zo is aangetoond dat honden een boos of blij mensengezicht prima herkennen, zelfs op basis van de helft (onderkant of bovenkant) van een foto.[ix]
  • Communicatie met lichtflitsen en kleurpatronen: Humboldt pijlinktvissen uit de diepzee hebben in hun huid chromatoforen, orgaantjes met pigment die onder invloed van zenuwsignalen kunnen ontspannen of samentrekken waardoor de kleur verandert. Die worden gebruikt voor camouflage maar ook voor communicatie. Bij een begroeting kunnen ze snelle lichtflitsen produceren. Ook kunnen ze onregelmatige golven rood en wit over het lijf laten lopen.[x]
  • Veel insecten communiceren met elkaar via dans. De dans geeft niet alleen informatie over aanwezigheid van een voedselbron, afstand tot de voedselbron, richting en aard van de voedselbron. Bv: de circeldans of rondedans als de voedselbron minder dan 100m verwijderd is, de kwispeldans bij meer dan 100m. De bij danst ook nog in een bepaalde hoek t.o.v. een verticale lijn in het nest. Hoe verder de voedselbron verwijderd is, hoe sneller de bij zal kwispelen en hoe trager ze zal dansen.
  • Sommige roofvogels, bv. zwarte wouwen, versieren hun nest met stukjes wit plastic om vrouwtjes te trekken; de vogels met de meeste stukjes plastic krijgen de meeste nakomelingen en hebben de beste territioria. Onderzoekers legden extra wit plastic in sommige nesten, maar dit werd terstond verwijderd. De vogels wisten dus precies welk plastic van henzelf was en zonden daarmee kennelijk ook een boodschap uit die door de ingreep van de onderzoekers in de war werd geschopt. Een mooi voorbeeld van de mens die wil meepraten in een taal die hij niet kent.
  • Nog iets wat de mens graag zou weten maar niet weet: de mol krijgt nooit kanker, ook niet als je hem straling en chemicalien toedient, en hij kan ademen met slechts 3% zuurstof (een mens valt dan accuut dood neer).
  • Mieren zijn beter in het schatten van de grootte van een nest dan de meeste mensen. Het lijkt erop dat ze hogere wiskunde gebruiken.[xi] Onderzoekers zijn niet zeker hoe de mieren het doen, dus het is nog even de vraag wie de slimste is…  Mieren maken ook ingenieuze bouwwerken van dennennaalden, takjes en ander organisch materiaal. Het nest van de rode bosmier heeft een ventilatiesysteem dat ze kunnen openen als het warm is en sluiten als het regent. Ingenieurs hopen nog veel te leren van de constructie van mierenhopen, en verkeersdeskundigen van het talent van mieren om met zo velen over de mierenpaden te bewegen zonder dat files ontstaan.[xii]

Deze voorbeelden illustreren dat niet-menselijke dieren nogal wat waarnemingen doen waarvoor wij volstrekt blind en doof zijn. Ook lijken veel dieren behoorlijk goede voorspellers te zijn van de gesteldheid van mensen (bijvoorbeeld epilepsieaanvallen) en van weersveranderingen en natuurrampen. Bij de tsunami van 2004 waren bijvoorbeeld nauwelijks dieren-slachtoffers: de dieren hadden zich allemaal tijdig uit de voeten gemaakt.[xiii] Alleen de ‘meest intellgente’ diersoort, de mens, werd getroffen.

Uit veel van deze voorbeelden blijkt dat dieren in hun eigen taal communiceren, vaak een taak die wij net zo min verstaan als zij de onze. Dat zij ons niet verstaan betekent niet dat ze ‘minder’ zijn; die conclusie zou je immers ook niet trekken als iemand uit een ander land met een andere taal ons niet verstaat.[xiv] Je beseft dan dat het omgekeerd ook zo is. Dat geldt evenzeer voor dieren, niet alleen wat betreft hun eigen ‘taal’ maar ook wat betreft ander gedrag, gevoelens en vaardigheden die door ons niet worden opgemerkt of verkeerd ‘verstaan’. Als mensen de intelligentie van dieren niet herkennen is dat vaak meer een beperking van de mens; in de woorden van Diana Field: “Why do we judge their intelligence on our ability to understand them?”

Dieren hebben hun eigen talenten en kwaliteiten; net als bij de mens zijn die afgestemd op hun behoeftes, hun leefwijze en hun natuurlijke leefomgeving. Het is typisch menselijk om de kwaliteiten waar wíj goed in zijn te verheffen tot het meest belangrijk en doorslaggevend als het gaat om de waarde van een dierenleven of het belang van het welzijn van een dier.

We weten uit de psychologie dat individuele mensen zichzelf beter vinden dan anderen (illusoire superioriteit) en dat ze de vaardigheden waar zij goed in zijn het meest belangrijk vinden; zijn ze ergens niet goed in, dan menen ze dat dat er ook minder toe doet. Ook groepen vinden hun eigen groep beter dan andere groepen (ingroup-favoritisme) en zijn geneigd de talenten van andere groepen te miskennen of onderwaarderen. Het lijkt erop dat dit verschijnsel zich ook uitstrekt naar een nog grotere groep, de eigen soort. Wij vinden onze soort beter, slimmer, belangrijker, dus de vaardigheden van andere soorten zijn per definitie minder belangrijk. Datgene waar wij goed in zijn, dáár gaat het om! Een staaltje antropocentrisch denken van de eerste orde. Eigenlijk gek toch, dat die super-intelligente soort dat zelf niet in de gaten heeft?

Lees ook De mens-dier connectie: 'Alle illusies die de mens eeuwenlang over zichzelf heeft gekoesterd als superieure soort, vallen langzaamaan in de duigen.'

Carnisme

Melanie Joy’s lezing bij psychologie, Radboud Universiteit Nijmegen, 13 december 2012

 

Roos Vonk

Melanie Joy begint haar boek1 en haar lezing2 met een gedachtenexperiment: Je bent te gast bij een chique diner. Je zit met de andere gasten aan een fraai gedekte tafel. Het licht van de kaarsen fonkelt in de kristallen wijnglazen. Er wordt geanimeerd gepraat. Heerlijke etensgeuren komen uit de keuken. Je hebt de hele middag nog niet gegeten dus het water loopt je in de mond. Na een tijd komt de gastvrouw tevoorschijn met een grote ovenschotel. Een heerlijke geur van vlees, kruiden en groenten vult de kamer. Je schept jezelf een flinke portie op. Na een paar hapjes van het heerlijke zachte vlees maak je de gastvrouw een compliment en vraagt naar het recept.

“Dank je”, zegt ze. “Het is heel simpel eigenlijk, je begint met een kilo labrador, die moet je goed marineren in…” Labrador? Waarschijnlijk hou je nu plotsklaps op met kauwen: is het stuk vlees in je mond van een hond?

Wat nu? Ga je door met eten? Of kijk je vol afschuw naar de hond op je bord, bedenkend dat je er net van gegeten hebt? Ga je de groenten die er omheen liggen eruit pikken en opeten? Of wil je zelfs die niet meer eten, net als veel mensen, omdat je zo’n weerzin voelt dat de groenten ook besmet zijn doordat ze in dezelfde schotel zitten?

Het voorbeeld illustreert de kern van haar betoog: dat er een kloof is tussen wat we eten – biefstuk, gehakt, karbonade – en de levende dieren waar ons vlees vandaan komt. Elke cultuur categoriseert sommige dieren als eetbaar – in onze cultuur bijvoorbeeld: koe, varken en kip – en andere als niet-eetbaar: de meeste andere dieren. De gedachte aan het eten van die niet-eetbare dieren roept afschuw op, of het nu een hond is of een tor. Waarom voelen we dan geen afschuw als we denken aan het eten van een koeiendij, een varkensbuik of een kippenpoot? We hebben geleerd die dieren niet te zien als levende dieren, maar als voedsel. Door het woord labrador zie je opeens een levende hond voor je, een hond die speelt, rent, knuffelt, slaapt. De gedachte dat dier te eten is huiveringwekkend. Maar een varken leeft ook, kan ook spelen, rennen, knuffelen, slapen. Omdat het een eetbaar dier is, hebben we het besef daarvan uit ons bewustzijn gebannen.

In onze samenleving wordt dat ook nog heel makkelijk gemaakt, want we zien heel weinig van de dieren die op ons bord belanden. Iedere minuut worden er in de wereld 124.000 boerderijdieren geslacht (in Nederland zo'n 500 miljoen per jaar*). We zien die dieren zelden; niet tijdens hun leven in gesloten stallen, niet tijdens het transport, niet in de slachterij. We kunnen ‘koe’ eten zonder te denken aan een levend dier dat, net als ieder dier, alles zou doen om in leven te blijven, en op gewelddadige wijze aan haar eind is gekomen.

Keuzevrijheid

Melanie Joy spaart haar publiek niet. Ze laat een video zien met gruwelijke taferelen uit stallen en slachterijen. Uit eigen ervaring weet ik dat vleeseters boos kunnen reageren wanneer je hen confronteert met akeligheden uit de veeindustrie. Ze zeggen: ik wil de vrijheid hebben om te eten wat ik wil, en jij probeert me die vrijheid af te nemen.

Melanie Joy ziet dat heel anders. Ze zegt bij de video: je kunt geen vrije keuze maken als je geen bewustzijn hebt en niet alle feiten kent. Juist door je op de hoogte te stellen van alle onaangename feiten over de dierenindustrie, kun je je eigen keuzes gaan maken. Volgens die opvatting zijn mensen onvrij zolang ze zich afsluiten voor die onprettige feiten. En niet alleen dat. Om vlees te eten, moeten mensen nog veel meer inleveren: hun authenticiteit, hun integriteit, hun compassie en empathie, hun open hart. Immers, je moet het eten van vlees voor jezelf rechtvaardigen door middel van overtuigingen zoals: dieren hebben geen gevoel, dieren zijn er voor mensen, als het dier een goed leven heeft gehad dan is het niet erg hem te doden, er zijn ergere dingen, enzovoort enzovoort.

Zelfbedrog

Op dit punt weet ik dat er steun is voor Joy’s opvattingen vanuit experimenteel psychologisch onderzoek. Daaruit is gebleken dat mensen, na het eten van vlees, minder morele zorg hebben om dieren en vaker de mogelijheid ontkennen dat dieren lijden, vergeleken met mensen die pinda’s hebben gegeten. In dit onderzoek waren de deelnemers willekeurig toegewezen aan een groep die vlees of pinda’s kreeg voorgezet; het ging dus niet om bestaande verschillen tussen vlees- en pinda-liefhebbers, maar om het effect van vlees eten op gedachten over dieren. Om te rechtvaardigen dat ze vlees hebben gegeten, gaan mensen een lagere morele status aan dieren toekennen.3

Dit bevestigt de stelling van Joy dat het eten van vlees onvermijdelijk een vorm van zelfbedrog met zich meebrengt, een schending van de eigen integriteit. Mensen blokkeren hun eigen compassie – die ze wel voelen met de labrador – en sluiten hun hart om zonder schuldgevoel vlees te kunnen eten. In onze cultuur doen we dat collectief, zegt Joy: we hebben met z’n allen een systeem van overtuigingen gecreëerd dat het eten van vlees rechtvaardigt. We nemen gedachtenloos aan dat een vegetariër of een veganist vanuit een bepaalde ideologie keuzes maakt, een vleeseter niet. Vlees eten is immers ‘normaal’. Maar ook vleeseters brengen een ideologisch systeem mee naar de eettafel. Dat systeem heet carnisme. Het is een systeem dat de dominante cultuur weerspiegelt – zoals ook ooit de opvattingen die bijvoorbeeld slavernij of dominantie van mannen over vrouwen rechtvaardigden – en het bevat overtuigingen zoals: vlees eten is natuurlijk (volgens Joy een eenzijdige interpretatie van de menselijke evolutie, waarin de Neanderthaler merkwaardig genoeg als ons rolmodel is uitgekozen), dieren zijn als dingen (hebben geen gevoel). Carnisme omvat ook de categorisaties die we gebruiken tussen bijvoorbeeld mens-dier (specisisme) en tussen eetbare en niet-eetbare dieren. “Die dieren worden er speciaal voor gefokt, die vinden dat niet erg”, vertellen ouders hun kinderen. “Wat is anders het nut van zo’n varken, als we hem niet eten?” vroeg een schoonfamilielid mij ooit. Uitingen van carnisme, zou Joy zeggen.

Hoop

Het mooie van de analyse van Joy vind ik dat ze het eten van vlees koppelt aan twee grotere, meer omvattende thema’s. Een daarvan is een thema dat in de psychologie system justification4heet. Mensen hebben een sterke behoefte om ongelijkheid te rechtvaardigen en daarmee ook in stand te houden, omdat het prettiger is te denken dat de dingen goed en rechtvaardig zijn geregeld in de wereld. Dit heeft ons racisme en seksisme gebracht, maar ook specisisme. De behoefte aan systeemrechtvaardiging is het sterkst bij degenen die voordeel hebben van de status quo; de dominante, machtige groepen in de samenleving.

Als tweede thema zie ik de spirituele ontwikkeling van mensen als individu. Volgens Joy is het onvermijdelijk dat die hapert zolang je vlees eet, omdat dit je noodzaakt een deel van je hart te sluiten voor het leed dat levende dieren wordt aangedaan – iets waarvan je bij bijna ieder kind kunt zien dat het tegen onze natuur in gaat. Kinderen verbinden zich met dieren net als met mensen, kinderen reageren verbaasd en verdrietig als ze iets zien over de behandeling van dieren in de industrie: “Dat kan toch niet?” Je kunt alleen genieten van vlees door dat gevoel te ontkennen – dus in feite een deel van jezelf en je vermogen tot liefde voor alles wat leeft.

Joy gelooft helemaal niet in die rechtvaardige wereld, vermoed ik. “We’ve inherited a very messy world”, zegt ze, een wereld waarin het vrijwel onmogelijk is om niet deel te nemen aan de gevolgen van carnisme. Zelfs haar vegetarische niet-leren schoenen worden ongetwijfeld bij elkaar gehouden door lijm waar delen van een of ander dier in zitten, want dieren zitten overal in.

Toch is er hoop, vindt ze. Want waarom bedenken we eigenlijk zo’n carnistisch systeem dat ons eetgedrag rechtvaardigt? “Because we care”. Omdat het ons in ons hart helemaal niet lekker zit. In ons hart hebben we allemaal die betrokkenheid, dat vermogen tot liefde en verbinding. Het carnistische systeem is een kaartenhuis, gebouwd op ontkenning daarvan. Daarmee eindigt ze, en met een les die zij van haar dieren heeft geleerd: liefde is de hoogste vorm van verbinding, en zou niet beperkt moeten worden op grond van arbitraire grenzen tussen soorten, tussen eetbaar en niet-eetbaar. 

 

Proefdieren

Als dieren model kunnen staan voor de mens, waarom zijn ethische grenzen dan niet op hen van toepassing?

 

Roos Vonk

Er zijn allerlei manieren om iets over mensen te weten te komen, van observeren op terrasjes tot aura’s lezen. Van al die manieren vind ik sommige zinvol en andere kletskoek, maar het meest van alles vertrouw ik op wetenschappelijk, systematisch onderzoek.

Maar er is één onderzoeksmethode waar ik niet in geloof, en die in de psychologie nog te vaak wordt gehanteerd: dierproeven. Zo heeft Martin Seligman, voordat hij zich stortte op de vraag wat mensen gelukkig maakt, akelige proeven gedaan met honden. Hij gaf ze elektrische schokken net zo lang tot ze niet meer probeerden de schokken te vermijden wanneer ze daar de kans toe hadden: de hond werd ‘murw’ en berustte in zijn lot. Seligman noemde dit geleerde hulpeloosheid en werd er beroemd mee. Bekend zijn ook de Harlow-apen, die bij de geboorte werden gescheiden van hun moeder en in volledige afzondering opgroeiden. Vandaag de dag mag je een aap alleen nog van de moeder scheiden als ie met soortgenootjes opgroeit. (Jij zou het toch ook geen punt vinden als je kind weliswaar zonder jou opgroeit maar wel gezellig samen met andere weesjes!) Aan de Radboud Universiteit in Nijmegen zijn jarenlang aapjes zonder ouders opgegroeid, nadat hun verzorger had ontdekt dat ze daardoor een fobie ontwikkelden voor een zak met houtsnippers. Interessant!!

Ratten zijn ook vaak de pineut. Ze worden in bakken met water gegooid waar ze niet uit kunnen komen, omdat je daar depressief van wordt. Of ze krijgen op onvoorspelbare momenten een schok. Als ze samen met een andere rat zitten worden ze daar minder depressief van. Onderzoeker Ter Horst trok in Intermediair een buitengewoon interessante parallel met mensen: “Bij depressieve mensen helpt gesprekstherapie ook tegen depressie”. Goed om te weten dat dat voor ratten ook geldt!

Ja maar, zult u zeggen, dat soort onderzoek kán toch heel nuttig zijn voor mensen. Die rechtvaardiging van dierenleed bevat een fundamentele tegenstrijdigheid. Als dierproeven zinnige informatie opleveren over de mens, betekent dit dat dieren vergelijkbaar zijn met mensen. Immers, als dieren wezenlijk anders zijn, hebben de resultaten van dierproeven geen enkele waarde voor mensen. Tegelijkertijd wordt het lijden van de dieren, veroorzaakt door de proeven, verdedigd door te stellen dat dieren niet lijden zoals mensen. Maar als dieren inderdaad zo wezenlijk anders zijn, betekent dit dat ze als model voor de mens ongeschikt zijn. Als die aapjes bijvoorbeeld niet lijden onder het opgroeien zonder moeder (zoals mensenkinderen dat zouden doen), dan is het ook niet zo interessant dat ze fobisch worden.

Kortom, er zijn twee mogelijkheden: Ofwel dieren lijken niet op mensen; dit betekent dat dierproeven voor de mens weinig waarde hebben. Ofwel dieren lijken genoeg op mensen om geschikt te zijn voor het testen van theorieën over mensen; in dit geval kun je niet uitsluiten dat dieren ook kunnen voelen en lijden net als mensen, en is er dus geen enkele rechtvaardiging om dieren dingen aan te doen die we ook nooit bij mensen zouden doen.

Toegegeven, dieren kunnen ons niet verbaal meedelen dat ze lijden. Maar veel mensen (pasgeborenen bijvoorbeeld) kunnen dat ook niet; niettemin zijn we bereid aan te nemen dat ze kunnen lijden. We weten domweg niet of dieren lijden net als mensen. Wat we wel weten is dat dieren alles doen om hun leven en hun vrijheid te behouden en om pijn te vermijden. Net als mensen.

 

Een grote boodschap

Zijn mensen de kroon op de schepping of hebben ze teveel verbeelding? 

Roos Vonk*

Als ik met mijn honden wandel, kom ik weleens hondenbaasjes tegen die weinig lol in hun hond lijken te hebben. Ze trekken hem subiet mee als ie ergens aan wil snuffelen. Hij kwispelt als hij mijn hondjes ziet: ha, soortgenootjes! Maar ze houden hem kort en lopen gauw door. Hij kijkt verlangend achterom.

Ik begrijp hier niks van. Waarom heb je een hond als je zijn natuurlijke gedrag vervelend vindt? Je moet honden tijd geven om te snuffelen op plekjes waar hun soortgenoten boodschappen hebben achtergelaten. Je trekt een mens toch ook niet achter de computer vandaan als ie een mail zit te lezen!

Mensen laten boodschappen achter met taal. Met woorden kunnen ze verwijzen naar iets dat niet (meer) in de onmiddellijke nabijheid is. We vinden dat heel uniek, maar honden doen hetzelfde met geur. Ook wij kunnen de sporen van een brand of van een knoflookmaaltijd ruiken, en daarmee het verleden waarnemen. Door zijn veel grotere reukvermogen leeft de hond in een wereld die voor ons goeddeels onzichtbaar is. Mijn ene hond rent in het bos soms weg, achter de geur aan van een konijn dat daar allang niet meer loopt. Als ik dan mijn andere hond volg, vinden we hem gauw weer terug. Zij weten precies wie waarheen is gegaan.

Mensen hebben de neiging zichzelf te zien als de kroon op de schepping, omdat ze bepaalde vermogens hebben die andere dieren missen. We vergeten dat omgekeerd dieren ook vermogens hebben die wij missen. Alleen al op het vlak van de zintuiglijke waarneming is er een wereld die compleet aan ons voorbijgaat – van geuren, kleuren, tast, geluiden en andere trillingen. Er zijn diersoorten met een bovenmenselijke reuk (zoals honden en varkens), of die ultrasoon geluid maken (vleermuizen en dolfijnen); er zijn er die ultraviolet waarnemen (vogels en rendieren), of infrarood waardoor ze temperatuurverschillen tot 0,003°C opmerken (ratelslangen en boa’s), of de magnetische velden van de aarde, ten behoeve van hun navigatie (schildpadden en roodborstjes). Allemaal voorbeelden van waarnemingen waarvoor wij volstrekt blind en doof zijn. Ook lijken veel dieren behoorlijk goede voorspellers te zijn van weersveranderingen en natuurrampen, en van emoties en de gesteldheid van mensen (bijvoorbeeld epilepsieaanvallen).

Met onze ongebreidelde zelfoverschatting vergeten we nogal eens het principe van de ‘onbekende onbekenden’: je weet niet wat je niet weet. Er is een complete wereld die we niet zien, en het belang daarvan kunnen we onmogelijk beseffen juist doordat die niet waarneembaar is.

Het is moeilijk bescheiden te blijven, maar je zou het wel wat harder mogen proberen als je het talent hebt om de levens van andere aardbewoners flink te vergallen. Zo wordt het aardmagnetisch veld verstoord door de magnetische straling van onze radio, waardoor de innerlijke Tomtom van andere aardbewoners van slag raakt; en spitssnuitdolfijnen, met hun de geavanceerde subtiele sonar-zintuigen, raken volstrekt de kluts kwijt door de giga-sonars van onze marine.

Langs dezelfde lijn is het voorstelbaar dat dieren een vorm van intelligentie hebben die wij niet kennen; dat ze iets kunnen bedenken of oplossen waar wij ons geen voorstelling van kunnen maken. We vinden onszelf dan wel reuze geleerd met onze wetenschap, maar we kunnen geen onderzoek doen naar andere vormen van intelligentie, want we kunnen domweg niet bedenken wat die zijn. We zijn hierin net zo onwetend als de doorsnee hond onwetend is over onze algebra of sterrenkunde: hij weet niet eens dat het bestaat. Al ons onderzoek naar intelligentie is per definitie beperkt door de grenzen van ons eigen brein.

Echt intelligent zou zijn die beperking te beseffen en ons wat bescheidener op te stellen. Laten we niet vergeten dat deze ‘superieure’, ‘meest intelligente’ soort de enige is die zijn eigen leefomgeving om zeep helpt. Zo slim zijn we dus ook weer niet.

In de wetenschap van de psychologie groeit geleidelijk het besef dat we allerlei dingen beter doen wanneer we onze instincten volgen en onze unieke ‘hogere’ mentale functies buitenspel zetten. Onze eerste indrukken van anderen blijken in de eerste tien à twintig seconden al behoorlijk te kloppen; van lang nadenken worden ze helemaal niet beter. We weten instinctief op wie we vallen, wie leiderschapskwaliteiten heeft, voor wie we moeten oppassen en hoe de verhoudingen liggen als we mensen samen zien. Eigenlijk werkt dat bij ons net zo als bij alle groepsdieren.

Met al onze kennis en geleerdheid komen we heel langzaamaan tot dit fundamentele besef: dieren zijn onze gelijkwaardigen, want mensen zijn dieren. Dieren met ietsje teveel verbeelding.

 

Morele dwarsliggers

Waarom vegetariërs irritatie en hoon kunnen oproepen 

Roos Vonk

Stel je doet mee aan een onderzoek over besluitvorming. Een van de vragen begint met een verhaal over een inbraak waarbij een schroevedraaier is gebruikt. De politie heeft drie verdachten van wie je foto’s ziet met een toelichting. Een van de verdachten heeft geen alibi, heeft een strafblad, is werkloos, en werd aangehouden met een heleboel geld op zak en een schroevedraaier. Oh ja, en hij is zwart, zie je op de foto. Er wordt gevraagd wie volgens jou het meest verdacht is. Wijs je de zwarte man aan?

Ja natuurlijk, dat doen we allemaal: Hij heeft alles tegen zich en de andere twee verdachten niet. Stel nu dat je na het onderzoek de antwoorden ziet van een andere deelnemer. Deze deelnemer heeft opgeschreven: “Ik sla deze vraag over. Deze zaak is duidelijk in elkaar gezet om de zwarte man het meest verdacht te maken. Ik doe hier niet aan mee.”

Wat is je indruk van deze deelnemer? Je hebt zelf net meegewerkt. Het was jou ook opgevallen, maar je hebt gewoon braaf de vraag beantwoord. Nu maakt iemand opeens principieel bezwaar.

Mensen die dit daadwerkelijk meemaken, vinden deze ‘morele rebel’ een irritant betwetertje: vooringenomen, overtuigd van eigen gelijk, en niet erg coöperatief.* Hetzelfde gebeurde in de beroemde gehoorzaamheids-experimenten van Milgram, waar de meeste deelnemers bereid bleken iemand een gevaarlijke of zelfs dodelijke schok toe te dienen. Wanneer zij achteraf werden geconfronteerd met een deelnemer die had geweigerd, zeiden ze vaak: “Hij moet niet zo dwars liggen, als iedereen dat doet komt het onderzoek nooit af.”

Het grappige is dat de morele dwarsligger geheel anders wordt beoordeeld door mensen die niet vlak daarvoor zélf de situatie hebben meegemaakt. Mensen die het verhaal over de politiezaak lezen en dan meteen de reactie van de rebel zien, zonder dat eerst naar hun eigen reactie is gevraagd, zien de rebel als een moreel voorbeeld; ze beoordelen hem als onafhankelijk, sterk, eerlijk, intelligent en volwassen. Het enige verschil is dat deze mensen niet vlak daarvoor in de gelegenheid zijn gebracht om meegaand te doen, dus om datgene te doen waar de rebel zich tegen verzet.

Degenen die zelf net hebben meegewerkt, blijken de dwarsligger onbewust te ervaren als iemand die hun gedrag afwijst. In feite maakt de rebel een punt waar ze zelf niet aan hadden gedacht. Hierdoor voelen ze zich tekort schieten. De meeste mensen zien zichzelf als moreel en zelfs als moreler dan gemiddeld. Door het gedrag van de rebel komt die overtuiging onder druk te staan. Dit roept een defensieve behoefte op om de rebel af te kraken: wat een overdreven heilig boontje.

Waarschijnlijk hebben we dit allemaal wel meegemaakt. Zo wilde ik ooit een vriendin een Cola aanbieden in een milieuonvriendelijk blikje, waarop ze zei: “Geef me dan maar gewoon water, ik wil liever niet een drankje uit blik”. Ik zie mezelf als reuze milieuvriendelijk, maar op dat moment dacht ik: “Jemig, je kan ook te ver gaan met die milieu-mierenneukerij.” Omgekeerd verklaart dit misschien ook waarom mensen soms zo bozig reageren als ik zeg dat ik geen vlees eet. “Ik probeer toch juist het goede te doen?”, denk ik dan. “Ik doe die mensen niks!” Maar dit onderzoek laat zien dat ik die mensen eigenlijk wél iets doe. Zelfs als ik het niet zo bedoel, kunnen ze mijn gedrag onbewust ervaren als kritiek op hun gedrag.

Als morele dwarsliggers ons zo ergeren, hoe moet de wereld dan ooit beter worden? We moeten dan eerst aan ons zelfvertrouwen en onze integriteit werken. Na een oefening waarin mensen hun hoogste waarden en idealen overdenken, blijken ze het gedrag van morele dwarsliggers juist inspirerend te vinden: oeps, erkennen ze, die persoon doet iets waar ik helemaal niet aan heb gedacht; wat goed, dat ga ik voortaan ook proberen!

Pig business

Intensieve veehouderij niet de schuld van de boer, maar van overheid, supermarkt en consument

 

Roos Vonk

Ik woon in landelijk gebied met hier en daar een boerderij. Bij het wandelen kom ik soms langs een grote schuur waar geschreeuw van varkens uit komt. Ik heb mezelf vaak van alles in mijn hoofd gehaald over vreselijke taferelen achter die staldeuren. Op een dag trok ik de stoute schoenen aan en belde aan bij het huis van de boer. Tot mijn verbazing kwam er een vriendelijke man naar buiten, die in niets leek op de dierenbeul die ik had gefantaseerd. Hij vertelde dat er 250 fokzeugen in de stal stonden die soms ruzie maakten over het voer. Dan ging het er wel eens stevig aan toe.*

Zou het niet leuker zijn als ze lekker buiten liepen?’ vroeg ik. ‘U hebt een wei en u kunt een modderpoel maken!’
Ja, dat zou ik ook wel willen’ zei hij, ‘dat hadden we vroeger ook. Maar toen hadden we 25 varkens. We hebben er nu teveel. Ze mogen niet meer naar buiten, vanwege de mest.’
Misschien weer gewoon 25 varkens nemen in plaats van 250?’ probeerde ik nog.
Nee natuurlijk: ‘Een varken brengt veel te weinig op. Ik kan er nu al amper van rond komen.’

De boer zit eigenlijk net zo klem als de varkens. Klem tussen lage marges aan de ene kant – afgedwongen door supermarkten die vlees willen verkopen voor minder dan de prijs van hondenvoer – en aan de andere kant milieuwetgeving en boze blikken van de burgers die oh zo van dieren houden, maar ondertussen wel die goedkope kiloknaller willen. Hoe moet je het als veehouder ooit goed doen in deze situatie?

Door de lage winst per dier proberen boeren met schaalvergroting een acceptabel inkomen te verdienen. Maar op termijn heeft dat in ons kleine land zoveel ongewenste gevolgen dat het niet vol te houden is: er ontstaat overproductie, milieu- en klimaatschade (volgens berekeningen van de wereldvoedselorganisatie is de uitstoot van broeikasgassen door de veehouderij hoger dan die van alle auto’s, vrachtwagens, treinen, schepen en vliegtuigen bij elkaar!), gevaren voor de volksgezondheid (denk aan fijnstof, dierziektencrises en resistente bacteriën, waar inmiddels al vele varkenshouders mee besmet zijn), en verdere voedselschaarste in de derde wereld, waar landbouwgrond wordt gebruikt om voer voor ons vee te telen. Bedenk dat voor 1 kg varkensvlees 4 à 5 kg graan nodig is. Met de toenemende wereldbevolking is de huidige vleesproductie domweg niet vol te houden, tenzij we mensen elders in de wereld laten verrekken van honger.

We moeten wat verder gaan kijken dan onze neus lang is. Schaalvergroting is niet eindeloos vol te houden. Elke week stoppen in Nederland 40 agrarische bedrijven, veelal omdat ze de race naar steeds grotere productie niet meer volhouden. Verdere industrialisering kan niet de oplossing zijn voor problemen die juist door industrialisering zijn ontstaan.

Daarnaast is de omgang met dieren vaak niet meer zoals we dat willen in een beschaafde samenleving. Varkens zijn zeer intelligente dieren; intelligenter dan honden bijvoorbeeld, en in bepaalde opzichten intelligenter dan mensen op kleuterleeftijd. Burgers voelen zich er ongemakkelijk bij dat deze dieren niet buiten komen, niet kunnen rondsnuffelen, wroeten, rennen, stoeien; dat zeugen bevallen  tussen metalen stangen en dat biggen al jong bij de moeder weggehaald worden. Dit alles wordt ervaren als onnatuurlijk en dieronvriendelijk. En dan is de boer alwéér de boosdoener.

Dat is niet terecht. In feite ligt de verantwoordelijkheid vooral bij overheid, supermarkt en consument. Als de prijs per dier omhoog gaat (m.a.w. als we een fatsoenlijke, reële prijs gaan betalen voor vlees), kan de boer kleinschaliger en milieu- en diervriendelijker gaan werken. Hij kan minder dieren houden, die kunnen weer buiten lopen. Er is weer grondgebonden productie mogelijk, waarbij voer en dieren niet de hele wereld over worden gesleept en de enorme ellende van veetransport verdwijnt. De boer wordt weer degene die voor ons aller eten zorgt en waar de varkens gezellig rondscharrelen. Iemand die we waarderen, die dichtbij de natuur staat in plaats van een grootindustrieel die het milieu en het landschap verpest.

Echte stappen zijn alleen te realiseren als het prijsbeleid zodanig verandert dat een kleinschaliger, mens- en diervriendelijke productie aantrekkelijker wordt voor de consument – en dus ook voor de boer. In plaats van maar door te modderen moeten we het roer drastisch omgooien, om de grote en urgente problemen in de wereld van nu het hoofd te bieden. Dan kunnen we de stap maken naar een duurzame veesector, waarin econonomie en technologie in dienst staan van het welzijn van dieren, van de mens, van de samenleving en de natuur.  Door de kabinetten van Balkenende en Rutte zijn we – burgers en boeren – in slaap gesust met korte termijn-beleid, lapwerk-maatregelen en schijnoplossingen. Het is nu tijd om wakker te worden. Er bestaan échte, structurele oplossingen. Maar alleen als we de werkelijke problemen onder ogen durven zien.