DROMEN EN DOEN

De gevaren van positief denken

Roos Vonk

We hebben allemaal onze dromen en ambities. Hoe kunnen we die waarmaken? Vaak wordt gezegd: positief denken, erin geloven. Dat is goed voor je inzet, je motivatie en zelfvertrouwen, en ja, dat helpt. Toch is er een keerzijde aan positief denken: je kunt blijven hangen in fantasieën; indulging, noemt onderzoekster Gabriele Oettingen* dat. Je denk dan aan hoe fijn het is als je droom verwezenlijkt is, niet aan wat er fout kan gaan. Omdat de fantasie zo prettig is, sta je niet open voor negatieve informatie. Dit bleek bijvoorbeeld uit een onderzoek** onder studentes naar schoenen met hoge hakken. Studentes die fantaseerden hoe mooi ze eruit zouden zien met die hakken, bleken vooral te letten op positieve informatie, zoals dat je er goeie kuitspieren van krijgt, en negeerden de informatie dat het ook kan leiden tot likdoorns, hamertenen en de ‘pump bump’ – een uitstulping van het bot bij de hiel. Vergelijkbare effecten werden gevonden op andere terreinen, zoals vakanties en beleggingen. De onderzoekers opperen dat dit type ‘positief denken’ ook ten grondslag ligt aan het besluit van velen om geld te steken in woekerpolissen en subprime-hypotheken: men zag vooral de gewenste kant en negeerde mogelijke valkuilen.

Een ander gevaar van indulging is dat je überhaupt niet tot iets komt, want al prettig mijmerend doe je niets om je droom te realiseren. Indulgers hebben bijvoorbeeld positieve fantasieën over hun toekomstige baan, maar ze solliciteren minder en verdienen uiteindelijk ook minder dan somberaars. Zo kun je een ‘eigenlijk’-persoon worden: eigenlijk ben ik schrijver, het boek zit al in mijn hoofd, maar ik moet nog tijd maken om het op te schrijven; eigenlijk ben ik toe aan het bestuursniveau, maar er moet nog een vacature vallen.

Een ander uiterste is dwelling: hierbij blijf je ook zitten waar je zit, maar in dit geval komt dat doordat je blijft hangen in gepieker over hoe slecht de realiteit is en hoe ver je verwijderd bent van je droom. Als dweller ben je nog slechter af dan als indulger, want niet alleen bereik je niks maar je zit ook nog eens te balen van de ellendige werkelijkheid.

Maar hoe moet het dan wel? Met de derde strategie en die heet mental contrasting. Hierbij haal je eerst je fantasie voor de geest, als bij indulging: wat wil je voor elkaar hebben en hoe ziet je leven er dan uit? Vervolgens denk je aan de realiteit, en aan het contrast met je fantasie. Dit is een stuk minder prettig dan lekker positief dagdromen, maar het is een noodzakelijke tweede stap. Want hierdoor word je realistisch en ga je denken aan wat ervoor nodig is om de kloof van realiteit naar fantasie te overbruggen. Contrasters denken concreter over wat voor aktie ze moeten ondernemen en welke belemmeringen ze moeten overwinnen. Ze maken ‘als-dan’-plannen: zodra ik een vrije dag heb, ga ik aan mijn roman beginnen; als de telefoon gaat, neem ik niet op. Ze committeren zich aan hun doel en dat geeft energie, een ‘kom op, aanpakken’-gevoel. Door het denken over obstakels komt de haalbaarheid van hun doel ook in beeld en onhaalbare doelen worden opgegeven. Ook dat is een wenselijk, gezond resultaat wat je met positief denken nooit zult bereiken.

In de cynische woorden van Barbara Ehrenreich: ‘Natuurlijk, als je met passie je doel visualiseert, dan kun je al die slechte hypotheken omzetten in giga-winsten, als je er maar in gelooft’. Niet dus: ervan dromen is niet de sleutel om je dromen werkelijkheid te maken.

Een uitvoeriger handleiding voor het realiseren van doelen en plannen is te vinden in Je bent wat je doet (Maven Publishing, 2014).

* Oettingen, G., & Stephens, E. J. (2009). Fantasies and motivationally intelligent goal setting. In G. B. Moskowitz & H. Grant(Eds.),The psychology of goals(pp. 153-178). New York: GuilfordPress.

** Kappes, H. B., & Oettingen, G. (2012). Wishful information preference: Positive fantasies mimic the effects of intentions. Personality and Social Psychology Bulletin, 38, 870-881.