NORMAAL

Waarom we niet allemaal bijzonder kunnen zijn

normaal

Roos Vonk*

Steeds meer kinderen (61%) willen beroemd worden.** Als sporter (jongens), zangeres, filmster of fotomodel (meisjes). Ze willen beroemd worden om rijk te zijn en in een groot huis te wonen (29%), om anderen blij maken (32%) en omdat iedereen het dan over hen heeft (11%).  Maar wie blijft er nog over om blij gemaakt te worden en het over hen te hebben, met zoveel potentiële beroemdheden? Hoewel vandaag de dag mensen van allerlei allooi op TV kunnen komen, is het toch ook inherent aan beroemd zijn dat het gaat om een kleine, selecte groep van mensen die iets bijzonders hebben. Ze zijn beroemd vanwege dat bijzondere, of dat nu hun talenten zijn, hun schoonheid, de ernst van hun wandaden, hun onoirbare capriolen of andere buitenissigheden.

Dit weerspiegelt een algemener probleem: we willen allemaal bijzonder zijn, en dankzij een gezonde dosis zelfbedrog menen we dat ook te zijn. Wij zijn bijzonderder dan anderen. Zo vinden we meestal dat onze kwaliteiten en talenten niet zoveel voorkomen – dus ons uniek en bijzonder maken (onze gebreken daarentegen, "dat heeft toch iedereen"). Ook vinden we dat we diepere gedachten en gevoelens hebben dan anderen, en dat we veel tegenstrijdigheden in ons verenigen terwijl andere mensen meer ‘flat characters’ zijn: we zijn soms serieus, soms vrolijk; soms zacht en gevoelig, maar steviger als het nodig is; uiterlijk vol zelfvertrouwen, maar van binnen soms onzeker; en we laten onze diepere lagen niet aan iedereen zien. Kortom, heel bijzonder en complex allemaal.

Er zijn maar weinig mensen die zeggen: “Ik ben eigenlijk heel doorsnee”. En toch is dat wat de meesten van ons zijn, statistisch gezien. De manier waarop eigenschappen en kwaliteiten zijn verdeeld in een bevolkingsgroep volgt meestal een zogenoemde normaalverdeling. Neem bijvoorbeeld intelligentie. Het gemiddelde IQ is 100. Verreweg de meeste mensen schommelen rond dat gemiddelde. Velen hebben een IQ van ongeveer 100; 2/3 van de mensen heeft een IQ tussen de 85 en 115. Al deze mensen zijn ‘normaal’: zij hebben een gemiddelde intelligentie. 1/3 van de mensen valt buiten dat ‘normale’ gebied: 1/6 eronder en 1/6 erboven. Dus zo'n 16% van de mensen heeft een bovengemiddeld IQ (boven de 115). In de veelal academische omgevingen waar die mensen verkeren is dat ook weer niet erg bijzonder.

Vele andere kenmerken volgen dezelfde normaalverdeling. Denk aan lichaamslengte, creativiteit, zelfvertrouwen, muzikaal talent, schoonheid; voor al die kenmerken geldt dat verreweg de meeste mensen gemiddeld zijn en slechts enkelen boven het maaiveld uit steken.

Dit betekent dat we uit de aard der zaak bijna allemaal heel normaal en doorsnee zijn. Tegelijkertijd denken we dat wij, met onze bijzondere kwaliteiten, boven die middelmatige meute uitstijgen. Dat is wishful thinking, en ook dat is heel normaal. Het is maar een zeldzame enkeling die zegt “Ik ben heel gemiddeld”. Zo zeldzaam dat het bijzonder is.

 

* Deze column is verschenen in Collega's en andere ongemakken: Psychologie van de werkvloer. Maven Publishing, april 2015.

** Duimel, M. (2009). (On)bewerkt beroemd. Een onderzoek onder tieners van 11 tot 17 jaar. Den Haag: Stichting Mijn Kind Online. http://mijnkindonline.nl/uploads/Onderzoeksrapport_Onbewerkt_beroemd.pdf
http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2844/Archief/archief/article/detail/1869263/2011/04/02/Het-X-effect.dhtml